Vocabulaireverzameling Aarde en water in SAT Science-woordenschat: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Aarde en water' in 'SAT Science-woordenschat' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) terrein, land
Voorbeeld:
(noun) weide, grasland;
(verb) weiden, grazen
Voorbeeld:
(noun) uitloper, heuvel aan de voet
Voorbeeld:
(noun) kam, kuif, golfkam;
(verb) de top bereiken, oversteken
Voorbeeld:
(noun) rotsblok, kei
Voorbeeld:
(noun) rug, bergrug, heuvelrug;
(verb) ribbelen, ploegen
Voorbeeld:
(noun) landverschuiving, aardverschuiving, overwinning
Voorbeeld:
(noun) weide, grasland
Voorbeeld:
(noun) regenwoud
Voorbeeld:
(noun) oriëntatiepunt, herkenningspunt, mijlpaal;
(adjective) baanbrekend, historisch
Voorbeeld:
(noun) heuvel, terp, hoop;
(verb) ophopen, opstapelen
Voorbeeld:
(noun) modderplaat, slik
Voorbeeld:
(noun) berm;
(verb) bermen, omwallen
Voorbeeld:
(verb) bluffen, misleiden;
(noun) bluf, misleiding, klif;
(adjective) stomp, steil
Voorbeeld:
(noun) bank, oever, wal;
(verb) storten, bankieren, ophopen
Voorbeeld:
(noun) kloof, ravijn;
(verb) volproppen, schrokken
Voorbeeld:
(noun) toendra
Voorbeeld:
(noun) stuk land, gebied, terrein
Voorbeeld:
(adjective) over land, land-;
(adverb) over land, landinwaarts
Voorbeeld:
(verb) eroderen, afslijten, ondermijnen
Voorbeeld:
(adjective) snel, rap
Voorbeeld:
(noun) kreek, beek
Voorbeeld:
(noun) zijrivier, toestroom;
(adjective) tributair, ondergeschikt
Voorbeeld:
(noun) plas;
(verb) plassen, zich ophopen
Voorbeeld:
(noun) draaikolk, werveling, luchtwerveling;
(verb) wervelen, draaien
Voorbeeld:
(adjective) huidig, actueel;
(noun) stroom, stroming, elektrische stroom
Voorbeeld:
(noun) beek;
(verb) dulden, tolereren
Voorbeeld:
(noun) rimpel, golfje, golf;
(verb) rimpelen, golven, zich verspreiden
Voorbeeld:
(verb) sijpelen, druppelen;
(noun) straaltje, sijpeling
Voorbeeld:
(noun) inham, baai, fjord
Voorbeeld:
(noun) spoeling, golfslag;
(verb) spoelen, klotsen
Voorbeeld:
(phrasal verb) ervandoor gaan, weglopen, afdrukken;
(noun) tweede ronde, beslissende wedstrijd, afvoer
Voorbeeld:
(noun) lagune
Voorbeeld:
(noun) moeras, veen;
(verb) overspoelen, overweldigen
Voorbeeld:
(noun) riviermonding, estuarium
Voorbeeld:
(noun) geul, ravijn, afwateringsgeul
Voorbeeld:
(noun) moeras, slijk;
(verb) afwerpen, afschilferen
Voorbeeld:
(verb) spatten, bespatten;
(noun) spat, vlek
Voorbeeld:
(noun) fjord
Voorbeeld:
(noun) tsunami, vloedgolf
Voorbeeld:
(noun) waterval, cascade, reeks;
(verb) vallen, stromen, neerstromen
Voorbeeld: