Avatar of Vocabulary Set In- en uitcheckprocedures

Vocabulaireverzameling In- en uitcheckprocedures in Horeca: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'In- en uitcheckprocedures' in 'Horeca' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

book

/bʊk/

(noun) boek, register;

(verb) boeken, reserveren, registreren

Voorbeeld:

I'm reading a fascinating book about ancient history.
Ik lees een fascinerend boek over oude geschiedenis.

check in

/tʃek ɪn/

(phrasal verb) inchecken, aanmelden, contact opnemen

Voorbeeld:

We need to check in at the hotel before 3 PM.
We moeten inchecken bij het hotel voor 15.00 uur.

check out

/tʃek aʊt/

(phrasal verb) controleren, nakijken, uitchecken

Voorbeeld:

Can you check out the new security system?
Kun je het nieuwe beveiligingssysteem controleren?

credit card

/ˈkred.ɪt ˌkɑːrd/

(noun) creditcard

Voorbeeld:

I paid for the groceries with my credit card.
Ik betaalde de boodschappen met mijn creditcard.

deposit

/dɪˈpɑː.zɪt/

(noun) storting, deposito, aanbetaling;

(verb) deponeren, neerleggen, afzetten

Voorbeeld:

I made a large deposit into my savings account.
Ik heb een grote storting gedaan op mijn spaarrekening.

invoice

/ˈɪn.vɔɪs/

(noun) factuur;

(verb) factureren

Voorbeeld:

Please send me an invoice for the services rendered.
Stuur me alstublieft een factuur voor de geleverde diensten.

rack rate

/ˈræk reɪt/

(noun) standaardprijs, catalogusprijs

Voorbeeld:

The hotel's rack rate for a standard room is $200 per night.
De standaardprijs van het hotel voor een standaardkamer is $200 per nacht.

rate

/reɪt/

(noun) tarief, snelheid, percentage;

(verb) beoordelen, schatten, inschatten

Voorbeeld:

The unemployment rate has decreased this quarter.
De werkloosheidsgraad is dit kwartaal gedaald.

tax

/tæks/

(noun) belasting;

(verb) belasten, belasting heffen op, uitputten

Voorbeeld:

The government increased the sales tax.
De overheid verhoogde de omzetbelasting.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland