Avatar of Vocabulary Set Gereedschap en Machines

Vocabulaireverzameling Gereedschap en Machines in Bouwindustrie: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Gereedschap en Machines' in 'Bouwindustrie' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

agitator

/ˈædʒ.ə.teɪ.t̬ɚ/

(noun) agitator, opruier, roerder

Voorbeeld:

The political agitator was arrested for inciting a riot.
De politieke agitator werd gearresteerd wegens het aanzetten tot een rel.

beam

/biːm/

(noun) balk, straal;

(verb) stralen, glimlachen, uitzenden

Voorbeeld:

The old house had exposed wooden beams.
Het oude huis had zichtbare houten balken.

bolt

/boʊlt/

(noun) bout, grendel, schuif;

(verb) wegrennen, ervandoor gaan, schrokken

Voorbeeld:

He tightened the bolt with a wrench.
Hij draaide de bout vast met een moersleutel.

chisel

/ˈtʃɪz.əl/

(noun) beitel;

(verb) beitelen, afzetten, bedriegen

Voorbeeld:

He used a wood chisel to carve the intricate details.
Hij gebruikte een houtbeitel om de ingewikkelde details te snijden.

concrete mixer

/ˈkɑːn.kriːt ˌmɪk.sər/

(noun) betonmixer, cementmolen

Voorbeeld:

The construction crew used a large concrete mixer to prepare the foundation.
De bouwploeg gebruikte een grote betonmixer om de fundering voor te bereiden.

crane

/kreɪn/

(noun) kraan, hijskraan, kraanvogel;

(verb) rekken, uitstrekken

Voorbeeld:

The construction site had a massive crane lifting steel beams.
De bouwplaats had een enorme kraan die stalen balken tilde.

drill

/drɪl/

(noun) boor, boormachine, oefening;

(verb) boren, drilleren, oefenen

Voorbeeld:

He used a power drill to make holes in the wall.
Hij gebruikte een elektrische boormachine om gaten in de muur te maken.

hammer

/ˈhæm.ɚ/

(noun) hamer, hamer (vuurwapen);

(verb) hameren, slaan

Voorbeeld:

He used a hammer to nail the boards together.
Hij gebruikte een hamer om de planken aan elkaar te spijkeren.

nail

/neɪl/

(noun) spijker, nagel;

(verb) spijkeren, vastspijkeren, pakken

Voorbeeld:

He hammered a nail into the wall to hang the picture.
Hij sloeg een spijker in de muur om de foto op te hangen.

nut

/nʌt/

(noun) noot, moer, gek;

(verb) inbeuken, koppen

Voorbeeld:

Squirrels bury nuts for the winter.
Eekhoorns begraven noten voor de winter.

pickaxe

/ˈpɪk.æks/

(noun) houweel, pikhouweel

Voorbeeld:

The miner swung his pickaxe, breaking chunks of coal from the wall.
De mijnwerker zwaaide met zijn houweel en brak brokken steenkool van de muur.

pincer

/ˈpɪn.sɚ/

(noun) nijptang, tang, schaar;

(verb) klemmen, omsingelen

Voorbeeld:

He used a pair of pincers to pull out the nail.
Hij gebruikte een nijptang om de spijker eruit te trekken.

saw

/sɑː/

(noun) gezegde, spreuk, zaag;

(verb) zagen;

(past tense) zag

Voorbeeld:

As the old saw goes, 'Look before you leap.'
Zoals het oude gezegde luidt: 'Bezint eer ge begint.'

screwdriver

/ˈskruːˌdraɪ.vɚ/

(noun) schroevendraaier, screwdriver

Voorbeeld:

He used a screwdriver to tighten the loose screw.
Hij gebruikte een schroevendraaier om de losse schroef vast te draaien.

spade

/speɪd/

(noun) spade, schop, schoppen;

(verb) spitten, omspitten

Voorbeeld:

He used a spade to dig a hole for the new tree.
Hij gebruikte een spade om een gat te graven voor de nieuwe boom.

tape

/teɪp/

(noun) tape, plakband, lint;

(verb) vasttapen, plakken, opnemen

Voorbeeld:

Please use some tape to seal the box.
Gebruik alstublieft wat tape om de doos te sluiten.

vice

/vaɪs/

(noun) ondeugd, gebrek, bankschroef;

(prefix) vice, plaatsvervangend

Voorbeeld:

Gambling is considered a vice by many.
Gokken wordt door velen als een ondeugd beschouwd.

wheelbarrow

/ˈwiːlˌber.oʊ/

(noun) kruiwagen

Voorbeeld:

He pushed the wheelbarrow full of soil to the garden bed.
Hij duwde de kruiwagen vol aarde naar het tuinbed.

wrench

/rentʃ/

(noun) moersleutel, steeksleutel, ruk;

(verb) rukken, verrekken, wringen

Voorbeeld:

He used a wrench to tighten the bolt.
Hij gebruikte een moersleutel om de bout aan te draaien.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland