Avatar of Vocabulary Set Delen van de stad

Vocabulaireverzameling Delen van de stad in Algemene IELTS-woordenschat (band 5): Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Delen van de stad' in 'Algemene IELTS-woordenschat (band 5)' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

traffic lights

/ˈtræf.ɪk ˌlaɪts/

(plural noun) verkeerslichten, stoplicht

Voorbeeld:

The car stopped at the traffic lights.
De auto stopte bij de verkeerslichten.

crosswalk

/ˈkrɑːs.wɑːk/

(noun) zebrapad, voetgangersoversteekplaats

Voorbeeld:

Always look both ways before crossing the crosswalk.
Kijk altijd beide kanten op voordat je het zebrapad oversteekt.

pedestrian

/pəˈdes.tri.ən/

(noun) voetganger;

(adjective) alledaags, saai, gewoon

Voorbeeld:

The traffic light turned red, allowing pedestrians to cross.
Het verkeerslicht werd rood, waardoor voetgangers konden oversteken.

billboard

/ˈbɪl.bɔːrd/

(noun) billboard, reclamebord

Voorbeeld:

The new movie was advertised on a huge billboard.
De nieuwe film werd geadverteerd op een enorm billboard.

downtown

/ˌdaʊnˈtaʊn/

(adverb) naar het centrum, in het centrum;

(noun) centrum, binnenstad;

(adjective) centraal, binnenstedelijk

Voorbeeld:

Let's go downtown for dinner tonight.
Laten we vanavond naar het centrum gaan voor het avondeten.

parking lot

/ˈpɑːr.kɪŋ ˌlɑːt/

(noun) parkeerplaats

Voorbeeld:

I left my car in the parking lot.
Ik liet mijn auto op de parkeerplaats staan.

museum

/mjuːˈziː.əm/

(noun) museum

Voorbeeld:

We spent the afternoon at the art museum.
We brachten de middag door in het kunstmuseum.

gallery

/ˈɡæl.ɚ.i/

(noun) galerie, kunstgalerie, galerij

Voorbeeld:

The new art gallery features local artists.
De nieuwe kunstgalerie toont lokale kunstenaars.

marketplace

/ˈmɑːr.kɪt.pleɪs/

(noun) marktplaats, markt, handelsarena

Voorbeeld:

The old town square used to be a bustling marketplace.
Het oude stadsplein was vroeger een bruisende marktplaats.

block

/blɑːk/

(noun) blok, klomp, gebouw;

(verb) blokkeren, versperren, verhinderen

Voorbeeld:

He used a concrete block to prop open the door.
Hij gebruikte een betonnen blok om de deur open te houden.

library

/ˈlaɪ.brer.i/

(noun) bibliotheek, boekenverzameling, collectie

Voorbeeld:

I'm going to the library to borrow some books.
Ik ga naar de bibliotheek om boeken te lenen.

hospital

/ˈhɑː.spɪ.t̬əl/

(noun) ziekenhuis

Voorbeeld:

She was rushed to the hospital after the accident.
Ze werd na het ongeluk naar het ziekenhuis gebracht.

bank

/bæŋk/

(noun) bank, oever, wal;

(verb) storten, bankieren, ophopen

Voorbeeld:

I need to go to the bank to deposit a check.
Ik moet naar de bank om een cheque te storten.

police station

/pəˈliːs ˌsteɪ.ʃən/

(noun) politiebureau

Voorbeeld:

I need to report a theft at the police station.
Ik moet een diefstal melden bij het politiebureau.

fire station

/ˈfaɪər steɪʃən/

(noun) brandweerkazerne

Voorbeeld:

The new fire station is equipped with modern facilities.
De nieuwe brandweerkazerne is uitgerust met moderne faciliteiten.

restaurant

/ˈres.tə.rɑːnt/

(noun) restaurant

Voorbeeld:

Let's go to that new Italian restaurant tonight.
Laten we vanavond naar dat nieuwe Italiaanse restaurant gaan.

cafe

/kæfˈeɪ/

(noun) café, koffiehuis

Voorbeeld:

Let's meet at the cafe for coffee.
Laten we afspreken bij het café voor koffie.

bar

/bɑːr/

(noun) staaf, balk, spijl;

(verb) versperren, verbieden, uitsluiten

Voorbeeld:

He lifted the heavy iron bar.
Hij tilde de zware ijzeren staaf op.

nightclub

/ˈnaɪt.klʌb/

(noun) nachtclub, discotheek

Voorbeeld:

We went to a nightclub to dance until the early hours.
We gingen naar een nachtclub om te dansen tot in de vroege uurtjes.

gym

/dʒɪm/

(noun) sportschool, gym

Voorbeeld:

I go to the gym three times a week.
Ik ga drie keer per week naar de sportschool.

highway

/ˈhaɪ.weɪ/

(noun) snelweg, autoweg

Voorbeeld:

The new highway will reduce travel time between the two cities.
De nieuwe snelweg zal de reistijd tussen de twee steden verkorten.

road

/roʊd/

(noun) weg, straat, koers

Voorbeeld:

The new road connects the two cities.
De nieuwe weg verbindt de twee steden.

club

/klʌb/

(noun) club, vereniging, knuppel;

(verb) slaan, knuppelen

Voorbeeld:

She joined a book club to meet new people.
Ze sloot zich aan bij een boekenclub om nieuwe mensen te ontmoeten.

avenue

/ˈæv.ə.nuː/

(noun) laan, avenue, weg

Voorbeeld:

They live on a quiet tree-lined avenue.
Ze wonen aan een rustige, met bomen omzoomde laan.

boulevard

/ˈbʊl.ə.vɑːrd/

(noun) boulevard, laan

Voorbeeld:

We drove down the grand boulevard lined with oak trees.
We reden over de grote boulevard omzoomd met eikenbomen.

square

/skwer/

(noun) vierkant, plein, kwadraat;

(adjective) vierkant, eerlijk, rechtvaardig;

(verb) kwadrateren, rechtmaken, uitlijnen;

(adverb) recht, precies

Voorbeeld:

Draw a perfect square on the paper.
Teken een perfect vierkant op het papier.

alley

/ˈæl.i/

(noun) steeg, gang, bowlingbaan

Voorbeeld:

The cat darted down the dark alley.
De kat schoot de donkere steeg in.

post office

/ˈpoʊst ˌɔː.fɪs/

(noun) postkantoor

Voorbeeld:

I need to go to the post office to mail this package.
Ik moet naar het postkantoor om dit pakket te versturen.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland