Avatar of Vocabulary Set Gezondheid

Vocabulaireverzameling Gezondheid in IELTS Academische Woordenschat (Band 5): Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Gezondheid' in 'IELTS Academische Woordenschat (Band 5)' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

energetic

/ˌen.ɚˈdʒet̬.ɪk/

(adjective) energiek, levendig

Voorbeeld:

She is an energetic and enthusiastic teacher.
Ze is een energieke en enthousiaste lerares.

refreshed

/rɪˈfreʃt/

(adjective) verfrist, opgefrist

Voorbeeld:

After a good night's sleep, I feel completely refreshed.
Na een goede nachtrust voel ik me helemaal verfrist.

athletic

/æθˈlet̬.ɪk/

(adjective) atletisch, sportief

Voorbeeld:

She is a very athletic person and loves to play sports.
Ze is een zeer atletisch persoon en houdt van sporten.

in shape

/ɪn ʃeɪp/

(idiom) in vorm, fit

Voorbeeld:

He exercises every day to stay in shape.
Hij sport elke dag om in vorm te blijven.

ill

/ɪl/

(adjective) ziek, ongesteld, schadelijk;

(adverb) slecht, verkeerd, nauwelijks;

(noun) kwaad, ongeluk, ellende

Voorbeeld:

She felt ill after eating the spoiled food.
Ze voelde zich ziek na het eten van het bedorven voedsel.

unwell

/ʌnˈwel/

(adjective) onwel, ziek

Voorbeeld:

She felt unwell and decided to go home early.
Ze voelde zich onwel en besloot vroeg naar huis te gaan.

unhealthy

/ʌnˈhel.θi/

(adjective) ongezond, ziekelijk

Voorbeeld:

Eating too much fast food is unhealthy.
Te veel fastfood eten is ongezond.

weak

/wiːk/

(adjective) zwak, ondoeltreffend, breekbaar

Voorbeeld:

After the illness, he felt very weak.
Na de ziekte voelde hij zich erg zwak.

weakly

/ˈwiːk.li/

(adverb) zwakjes, zwak

Voorbeeld:

He smiled weakly after the long illness.
Hij glimlachte zwakjes na de lange ziekte.

sick

/sɪk/

(adjective) ziek, misselijk, geweldig;

(verb) overgeven, braken

Voorbeeld:

I feel sick, I think I ate something bad.
Ik voel me misselijk, ik denk dat ik iets verkeerds heb gegeten.

lively

/ˈlaɪv.li/

(adjective) levendig, energiek, bruisend;

(adverb) levendig, energiek

Voorbeeld:

She has a very lively personality.
Ze heeft een erg levendige persoonlijkheid.

fit

/fɪt/

(verb) passen, zitten, passen bij;

(noun) pasvorm, passing, aanval;

(adjective) fit, in vorm, geschikt

Voorbeeld:

These shoes fit perfectly.
Deze schoenen passen perfect.

well

/wel/

(adverb) goed, ruim;

(adjective) goed, gezond;

(interjection) nou, wel;

(noun) put, bron;

(verb) opwellen, stromen

Voorbeeld:

She sings very well.
Ze zingt heel goed.

healthy

/ˈhel.θi/

(adjective) gezond, heilzaam, flink

Voorbeeld:

Eating fruits and vegetables helps you stay healthy.
Het eten van fruit en groenten helpt je gezond te blijven.

disabled

/dɪˈseɪ.bəld/

(adjective) gehandicapt;

(verb) handicappen, invalide maken, uitschakelen

Voorbeeld:

The building has ramps for disabled access.
Het gebouw heeft hellingbanen voor gehandicapte toegang.

healing

/ˈhiː.lɪŋ/

(noun) genezing, heling;

(adjective) genezend, helend

Voorbeeld:

The wound is showing signs of rapid healing.
De wond vertoont tekenen van snelle genezing.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland