Avatar of Vocabulary Set Landschap en geografie

Vocabulaireverzameling Landschap en geografie in IELTS Academische Woordenschat (Band 5): Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Landschap en geografie' in 'IELTS Academische Woordenschat (Band 5)' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

valley

/ˈvæl.i/

(noun) vallei, dal

Voorbeeld:

The village is nestled in a beautiful green valley.
Het dorp ligt verscholen in een prachtige groene vallei.

desert

/ˈdez.ɚt/

(noun) woestijn;

(verb) verlaten, deserteren

Voorbeeld:

The Sahara is the largest hot desert in the world.
De Sahara is de grootste hete woestijn ter wereld.

mountain

/ˈmaʊn.tən/

(noun) berg, hoop

Voorbeeld:

Mount Everest is the highest mountain in the world.
Mount Everest is de hoogste berg ter wereld.

time zone

/ˈtaɪm zoʊn/

(noun) tijdzone

Voorbeeld:

New York is in a different time zone than Los Angeles.
New York ligt in een andere tijdzone dan Los Angeles.

hill

/hɪl/

(noun) heuvel, helling, stijging;

(verb) ophopen, heuvelen

Voorbeeld:

We climbed the hill to get a better view.
We beklommen de heuvel om een beter uitzicht te krijgen.

grassland

/ˈɡræs.lænd/

(noun) grasland, weide

Voorbeeld:

The cattle grazed peacefully on the vast grassland.
Het vee graasde vredig op het uitgestrekte grasland.

plain

/pleɪn/

(adjective) eenvoudig, gewoon, duidelijk;

(noun) vlakte, vlaktes;

(adverb) duidelijk, eenvoudig

Voorbeeld:

She prefers plain clothes without any patterns.
Ze geeft de voorkeur aan eenvoudige kleding zonder patronen.

forest

/ˈfɔːr.ɪst/

(noun) bos, woud;

(verb) bebossen, aanplanten

Voorbeeld:

We went for a walk in the forest.
We gingen wandelen in het bos.

jungle

/ˈdʒʌŋ.ɡəl/

(noun) jungle, oerwoud, meute

Voorbeeld:

The explorers ventured deep into the dense jungle.
De ontdekkingsreizigers waagden zich diep in de dichte jungle.

ocean

/ˈoʊ.ʃən/

(noun) oceaan, enorme hoeveelheid

Voorbeeld:

The ship sailed across the vast ocean.
Het schip zeilde over de uitgestrekte oceaan.

sea

/siː/

(noun) zee, meer, grote hoeveelheid

Voorbeeld:

The ship sailed across the vast sea.
Het schip zeilde over de uitgestrekte zee.

bay

/beɪ/

(noun) baai, nis, ruimte;

(verb) blaffen, huilen

Voorbeeld:

The ship sailed into the calm bay.
Het schip zeilde de kalme baai in.

beach

/biːtʃ/

(noun) strand;

(verb) aan land brengen, stranden

Voorbeeld:

We spent the day relaxing on the beach.
We brachten de dag ontspannend door op het strand.

shore

/ʃɔːr/

(noun) oever, kust;

(verb) stutten, ondersteunen

Voorbeeld:

We walked along the shore, collecting seashells.
We liepen langs de oever, schelpen verzamelend.

coast

/koʊst/

(noun) kust, oever;

(verb) uitrollen, glijden, gemakkelijk afhandelen

Voorbeeld:

We spent our vacation on the beautiful coast of California.
We brachten onze vakantie door aan de prachtige kust van Californië.

island

/ˈaɪ.lənd/

(noun) eiland, verkeerseiland

Voorbeeld:

We spent our vacation on a beautiful tropical island.
We brachten onze vakantie door op een prachtig tropisch eiland.

waterfall

/ˈwɑː.t̬ɚ.fɑːl/

(noun) waterval

Voorbeeld:

The majestic waterfall cascaded down the cliff.
De majestueuze waterval stortte van de klif.

lake

/leɪk/

(noun) meer

Voorbeeld:

We went fishing in the lake.
We gingen vissen in het meer.

river

/ˈrɪv.ɚ/

(noun) rivier

Voorbeeld:

The boat sailed down the river.
De boot voer de rivier af.

woodland

/ˈwʊd.lənd/

(noun) bosland, bosgebied;

(adjective) bosrijk, bos-

Voorbeeld:

The children enjoyed playing in the woodland behind their house.
De kinderen genoten van het spelen in het bosland achter hun huis.

cave

/keɪv/

(noun) grot, spelonk;

(verb) zwichten, toegeven

Voorbeeld:

The explorers discovered a hidden cave behind the waterfall.
De ontdekkingsreizigers ontdekten een verborgen grot achter de waterval.

iceberg

/ˈaɪs.bɝːɡ/

(noun) ijsberg, topje van de ijsberg

Voorbeeld:

The ship narrowly avoided hitting an iceberg.
Het schip vermeed ternauwernood een botsing met een ijsberg.

gulf

/ɡʌlf/

(noun) golf, kloof, afgrond

Voorbeeld:

The ship sailed into the gulf.
Het schip voer de golf in.

compass

/ˈkʌm.pəs/

(noun) kompas, passer, bereik;

(verb) omcirkelen, omringen, bereiken

Voorbeeld:

He used a compass to find his way through the forest.
Hij gebruikte een kompas om zijn weg door het bos te vinden.

volcano

/vɑːlˈkeɪ.noʊ/

(noun) vulkaan

Voorbeeld:

Mount Etna is an active volcano in Italy.
De Etna is een actieve vulkaan in Italië.

rainforest

/ˈreɪn.fɔːr.ɪst/

(noun) regenwoud

Voorbeeld:

The Amazon rainforest is home to millions of species.
Het Amazone regenwoud is de thuisbasis van miljoenen soorten.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland