Avatar of Vocabulary Set Bijwoorden van tijd

Vocabulaireverzameling Bijwoorden van tijd in IELTS Academische Woordenschat (Band 5): Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Bijwoorden van tijd' in 'IELTS Academische Woordenschat (Band 5)' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

today

/təˈdeɪ/

(adverb) vandaag, vandaag de dag, tegenwoordig;

(noun) vandaag, vandaag de dag, het heden

Voorbeeld:

I have a lot of work to do today.
Ik heb veel werk te doen vandaag.

yesterday

/ˈjes.tɚ.deɪ/

(adverb) gisteren;

(noun) gisteren

Voorbeeld:

I saw her yesterday at the market.
Ik zag haar gisteren op de markt.

briefly

/ˈbriːf.li/

(adverb) kort, even, bondig

Voorbeeld:

She paused briefly before continuing her speech.
Ze pauzeerde kort voordat ze haar toespraak voortzette.

shortly

/ˈʃɔːrt.li/

(adverb) binnenkort, spoedig, kortaf

Voorbeeld:

The train will arrive shortly.
De trein zal binnenkort aankomen.

forever

/fɔːˈrev.ɚ/

(adverb) voor altijd, eeuwig, heel lang

Voorbeeld:

I will love you forever.
Ik zal je voor altijd liefhebben.

immediately

/ɪˈmiː.di.ət.li/

(adverb) onmiddellijk, direct, meteen

Voorbeeld:

Please respond immediately.
Gelieve onmiddellijk te reageren.

eventually

/ɪˈven.tʃu.ə.li/

(adverb) uiteindelijk, tenslotte

Voorbeeld:

After years of hard work, she eventually achieved her dream.
Na jaren van hard werken bereikte ze uiteindelijk haar droom.

now

/naʊ/

(adverb) nu, op dit moment, zojuist;

(interjection) nu, onmiddellijk;

(noun) nu, het heden;

(conjunction) nu, aangezien

Voorbeeld:

I need to leave now.
Ik moet nu vertrekken.

then

/ðen/

(adverb) toen, destijds, daarna;

(conjunction) dan, dus;

(adjective) toenmalig, destijds

Voorbeeld:

I was living in London then.
Ik woonde toen in Londen.

later

/ˈleɪ.t̬ɚ/

(adverb) later, daarna;

(adjective) later, volgend

Voorbeeld:

I'll call you later.
Ik bel je later.

soon

/suːn/

(adverb) spoedig, binnenkort, eerder

Voorbeeld:

I'll be home soon.
Ik ben spoedig thuis.

finally

/ˈfaɪ.nəl.i/

(adverb) eindelijk, uiteindelijk, tenslotte

Voorbeeld:

After hours of searching, they finally found the lost dog.
Na uren zoeken vonden ze de verloren hond eindelijk.

already

/ɑːlˈred.i/

(adverb) al, reeds, nu al

Voorbeeld:

She has already finished her homework.
Ze heeft haar huiswerk al af.

recently

/ˈriː.sənt.li/

(adverb) onlangs, recentelijk

Voorbeeld:

I recently visited my grandparents.
Ik heb mijn grootouders onlangs bezocht.

again

/əˈɡen/

(adverb) weer, nogmaals, terug

Voorbeeld:

Can you say that again?
Kun je dat nog eens zeggen?

yet

/jet/

(adverb) nog, al, toch;

(conjunction) toch, maar

Voorbeeld:

He hasn't arrived yet.
Hij is nog niet aangekomen.

still

/stɪl/

(adverb) nog steeds, nog, toch;

(adjective) stil, onbeweeglijk;

(noun) stilstaand beeld, foto;

(verb) kalmeren, tot rust brengen

Voorbeeld:

It's still raining outside.
Het regent nog steeds buiten.

next

/nekst/

(adjective) volgende, hierna, naast;

(adverb) vervolgens, daarna

Voorbeeld:

What are you doing next?
Wat ga je hierna doen?
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland