Vocabulaireverzameling Eenheid 10: Wanneer is de sportdag? in Groep 5: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Eenheid 10: Wanneer is de sportdag?' in 'Groep 5' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) festival, feest
Voorbeeld:
(noun) sportdag
Voorbeeld:
(noun) Onafhankelijkheidsdag
Voorbeeld:
(noun) wedstrijd, competitie;
(verb) aanvechten, betwisten, strijden om
Voorbeeld:
(preposition) tegen, voor
Voorbeeld:
(noun) badminton
Voorbeeld:
(noun) voetbal, football, rugbybal
Voorbeeld:
(noun) volleybal
Voorbeeld:
(noun) basketbal
Voorbeeld:
(noun) tafeltennis, pingpong
Voorbeeld:
(noun) touwtrekken, strijd
Voorbeeld:
(noun) gewichtheffen, krachttraining
Voorbeeld:
(noun) touw, kabel;
(verb) vastbinden, vastmaken met touw
Voorbeeld:
(noun) lawaai, herrie, racket;
(verb) lawaai maken, herrie schoppen
Voorbeeld:
(noun) concurrentie, wedijver, wedstrijd
Voorbeeld:
(noun) evenement, gebeurtenis, voorval
Voorbeeld:
(noun) wedstrijd, match, lucifer;
(verb) overeenkomen, passen bij, matchen
Voorbeeld:
(phrasal verb) deelnemen aan, meedoen aan
Voorbeeld:
(verb) winnen, verkrijgen;
(noun) overwinning, winst
Voorbeeld:
(verb) verliezen, kwijtraken
Voorbeeld: