Avatar of Vocabulary Set Eenheid 10: Wanneer is de sportdag?

Vocabulaireverzameling Eenheid 10: Wanneer is de sportdag? in Groep 5: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Eenheid 10: Wanneer is de sportdag?' in 'Groep 5' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

festival

/ˈfes.tə.vəl/

(noun) festival, feest

Voorbeeld:

The town celebrates a summer festival every year.
De stad viert elk jaar een zomerfestival.

sports day

/ˈspɔːrts deɪ/

(noun) sportdag

Voorbeeld:

Our school's annual sports day is always a lot of fun.
De jaarlijkse sportdag van onze school is altijd erg leuk.

Independence Day

/ˌɪndɪˈpendəns deɪ/

(noun) Onafhankelijkheidsdag

Voorbeeld:

Families gather for barbecues and fireworks on Independence Day.
Families komen samen voor barbecues en vuurwerk op Onafhankelijkheidsdag.

contest

/ˈkɑːn.test/

(noun) wedstrijd, competitie;

(verb) aanvechten, betwisten, strijden om

Voorbeeld:

She won the singing contest.
Ze won de zangwedstrijd.

against

/əˈɡenst/

(preposition) tegen, voor

Voorbeeld:

The decision went against my wishes.
De beslissing ging tegen mijn wensen in.

badminton

/ˈbæd.mɪn.tən/

(noun) badminton

Voorbeeld:

We played a game of badminton in the park.
We speelden een potje badminton in het park.

football

/ˈfʊt.bɑːl/

(noun) voetbal, football, rugbybal

Voorbeeld:

He loves watching football on Sundays.
Hij kijkt graag naar voetbal op zondag.

volleyball

/ˈvɑː.li.bɑːl/

(noun) volleybal

Voorbeeld:

They played a game of volleyball on the beach.
Ze speelden een potje volleybal op het strand.

basketball

/ˈbæs.kət.bɑːl/

(noun) basketbal

Voorbeeld:

My favorite sport to watch is basketball.
Mijn favoriete sport om naar te kijken is basketbal.

table tennis

/ˈteɪ.bəl ˌten.ɪs/

(noun) tafeltennis, pingpong

Voorbeeld:

Do you want to play a game of table tennis?
Wil je een potje tafeltennis spelen?

tug of war

/ˌtʌɡ əv ˈwɔːr/

(noun) touwtrekken, strijd

Voorbeeld:

The annual picnic always features a lively game of tug of war.
De jaarlijkse picknick omvat altijd een levendig spelletje touwtrekken.

weightlifting

/ˈweɪtˌlɪf.tɪŋ/

(noun) gewichtheffen, krachttraining

Voorbeeld:

She trains for weightlifting competitions every day.
Ze traint elke dag voor gewichthefwedstrijden.

rope

/roʊp/

(noun) touw, kabel;

(verb) vastbinden, vastmaken met touw

Voorbeeld:

He tied the boat to the dock with a thick rope.
Hij bond de boot met een dik touw aan de kade.

racket

/ˈræk.ɪt/

(noun) lawaai, herrie, racket;

(verb) lawaai maken, herrie schoppen

Voorbeeld:

The kids were making a terrible racket in the backyard.
De kinderen maakten een vreselijk lawaai in de achtertuin.

competition

/ˌkɑːm.pəˈtɪʃ.ən/

(noun) concurrentie, wedijver, wedstrijd

Voorbeeld:

There's fierce competition for jobs in the current market.
Er is felle concurrentie om banen op de huidige markt.

event

/ɪˈvent/

(noun) evenement, gebeurtenis, voorval

Voorbeeld:

The wedding was a beautiful event.
De bruiloft was een prachtig evenement.

match

/mætʃ/

(noun) wedstrijd, match, lucifer;

(verb) overeenkomen, passen bij, matchen

Voorbeeld:

The football match ended in a draw.
De voetbalwedstrijd eindigde in een gelijkspel.

take part in

/teɪk pɑːrt ɪn/

(phrasal verb) deelnemen aan, meedoen aan

Voorbeeld:

Everyone should take part in the discussion.
Iedereen moet deelnemen aan de discussie.

win

/wɪn/

(verb) winnen, verkrijgen;

(noun) overwinning, winst

Voorbeeld:

Our team hopes to win the championship this year.
Ons team hoopt dit jaar het kampioenschap te winnen.

lose

/luːz/

(verb) verliezen, kwijtraken

Voorbeeld:

I don't want to lose my job.
Ik wil mijn baan niet verliezen.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland