Avatar of Vocabulary Set Eenheid 15: Heb je speelgoed?

Vocabulaireverzameling Eenheid 15: Heb je speelgoed? in Groep 3: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Eenheid 15: Heb je speelgoed?' in 'Groep 3' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

do

/də/

(verb) doen, uitvoeren, voltooien;

(auxiliary verb) hulpwerkwoord, benadrukken;

(noun) feest, evenement, kapsel

Voorbeeld:

What are you going to do today?
Wat ga je vandaag doen?

does

/dʌz/

(verb) doet;

(noun) hinde, ree

Voorbeeld:

He does his homework every evening.
Hij doet zijn huiswerk elke avond.

doll

/dɑːl/

(noun) pop, schoonheid;

(verb) opdoffen, versieren

Voorbeeld:

My daughter loves playing with her new doll.
Mijn dochter speelt graag met haar nieuwe pop.

kite

/kaɪt/

(noun) vlieger, wouw;

(verb) vliegeren

Voorbeeld:

The child happily flew his kite in the park.
Het kind liet zijn vlieger vrolijk op in het park.

plane

/pleɪn/

(noun) vlak, plat vlak, vliegtuig;

(verb) schaven, vlak maken

Voorbeeld:

The points all lie on the same plane.
De punten liggen allemaal op hetzelfde vlak.

puzzle

/ˈpʌz.əl/

(noun) puzzel, raadsel, mysterie;

(verb) verwarren, verbijsteren

Voorbeeld:

She spent hours trying to solve the jigsaw puzzle.
Ze bracht uren door met het proberen op te lossen van de legpuzzel.

robot

/ˈroʊ.bɑːt/

(noun) robot, mechanisch persoon

Voorbeeld:

The factory uses robots to assemble cars.
De fabriek gebruikt robots om auto's te assembleren.

ship

/ʃɪp/

(noun) schip, vaartuig;

(verb) verzenden, vervoeren

Voorbeeld:

The cargo ship sailed across the ocean.
Het vrachtschip zeilde over de oceaan.

skipping

/ˈskɪp.ɪŋ/

(noun) springen, touwtjespringen, overslaan;

(verb) springend, touwtjespringend, overslaand

Voorbeeld:

The children enjoyed skipping in the park.
De kinderen genoten van het touwtjespringen in het park.

train

/treɪn/

(noun) trein, sleep;

(verb) trainen, opleiden, oefenen

Voorbeeld:

The train arrived at the station on time.
De trein arriveerde op tijd op het station.

yo-yo

/ˈjoʊ.joʊ/

(noun) jojo, schommeling;

(verb) jojoën, op en neer gaan

Voorbeeld:

He learned to do tricks with his yo-yo.
Hij leerde trucjes doen met zijn jojo.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland