Avatar of Vocabulary Set Top 51 - 75 Adverbs

Vocabulaireverzameling Top 51 - 75 Adverbs in 500 meest voorkomende Engelse bijwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Top 51 - 75 Adverbs' in '500 meest voorkomende Engelse bijwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

over

/ˈoʊ.vɚ/

(preposition) over, boven, aan de andere kant van;

(adverb) voorbij, afgelopen, om;

(adjective) voorbij, afgelopen

Voorbeeld:

The plane flew over the city.
Het vliegtuig vloog over de stad.

at least

/æt liːst/

(phrase) minstens, ten minste, tenminste

Voorbeeld:

It will cost at least $100.
Het zal minstens $100 kosten.

away

/əˈweɪ/

(adverb) weg, af, door;

(adjective) verderop, weg

Voorbeeld:

She walked away from the crowd.
Ze liep weg van de menigte.

yet

/jet/

(adverb) nog, al, toch;

(conjunction) toch, maar

Voorbeeld:

He hasn't arrived yet.
Hij is nog niet aangekomen.

in

/ɪn/

(preposition) in;

(adverb) binnen, thuis, op kantoor;

(adjective) in, populair

Voorbeeld:

The keys are in the drawer.
De sleutels zijn in de lade.

out

/aʊt/

(adverb) uit, buiten, afwezig;

(adjective) uit, niet populair;

(preposition) uit, weg

Voorbeeld:

She stepped out of the car.
Ze stapte uit de auto.

ago

/əˈɡoʊ/

(adverb) geleden

Voorbeeld:

She left for Paris three days ago.
Ze vertrok drie dagen geleden naar Parijs.

around

/əˈraʊnd/

(preposition) rond, om, in de buurt;

(adverb) rond, in de buurt, overal

Voorbeeld:

The fence goes around the garden.
Het hek gaat rond de tuin.

down

/daʊn/

(preposition) naar beneden, af, langs;

(adverb) naar beneden, onder, gedaald;

(adjective) naar beneden, omlaag, neerslachtig;

(noun) dons, fijne veren;

(verb) neerslaan, omverwerpen

Voorbeeld:

The ball rolled down the hill.
De bal rolde de heuvel af.

up

/ʌp/

(adverb) omhoog, naar boven, rechtop;

(adjective) goed, in orde;

(verb) stijgen, omhooggaan;

(noun) stijging, toename

Voorbeeld:

He looked up at the sky.
Hij keek omhoog naar de lucht.

definitely

/ˈdef.ən.ət.li/

(adverb) zeker, beslist, duidelijk

Voorbeeld:

I will definitely be there on time.
Ik zal er zeker op tijd zijn.

before

/bɪˈfɔːr/

(preposition) voor, voordat;

(adverb) eerder, voorheen;

(conjunction) voordat

Voorbeeld:

Always wash your hands before eating.
Was altijd je handen voordat je eet.

especially

/ɪˈspeʃ.əl.i/

(adverb) vooral, in het bijzonder, speciaal

Voorbeeld:

I love all fruits, but especially mangoes.
Ik hou van alle vruchten, maar vooral mango's.

quite

/kwaɪt/

(adverb) helemaal, volkomen, redelijk

Voorbeeld:

I'm quite sure I locked the door.
Ik ben er helemaal zeker van dat ik de deur op slot heb gedaan.

however

/ˌhaʊˈev.ɚ/

(adverb) echter, desondanks, hoe dan ook

Voorbeeld:

It was a difficult task; however, we managed to complete it on time.
Het was een moeilijke taak; echter, we zijn erin geslaagd het op tijd af te krijgen.

though

/ðoʊ/

(conjunction) hoewel, ofschoon;

(adverb) echter, toch

Voorbeeld:

Though it was raining, we went for a walk.
Hoewel het regende, gingen we wandelen.

enough

/əˈnʌf/

(determiner) genoeg, voldoende;

(adverb) genoeg, voldoende;

(pronoun) genoeg, voldoende

Voorbeeld:

Do we have enough food for everyone?
Hebben we genoeg eten voor iedereen?

usually

/ˈjuː.ʒu.ə.li/

(adverb) meestal, gewoonlijk

Voorbeeld:

I usually wake up at 7 AM.
Ik word meestal om 7 uur 's ochtends wakker.

soon

/suːn/

(adverb) spoedig, binnenkort, eerder

Voorbeeld:

I'll be home soon.
Ik ben spoedig thuis.

finally

/ˈfaɪ.nəl.i/

(adverb) eindelijk, uiteindelijk, tenslotte

Voorbeeld:

After hours of searching, they finally found the lost dog.
Na uren zoeken vonden ze de verloren hond eindelijk.

completely

/kəmˈpliːt.li/

(adverb) volledig, helemaal

Voorbeeld:

The house was completely destroyed by the fire.
Het huis werd volledig verwoest door de brand.

rather

/ˈræð.ɚ/

(adverb) liever, eerder, nogal

Voorbeeld:

I'd rather stay home tonight.
Ik blijf liever vanavond thuis.

fast

/fæst/

(adjective) snel, vlug, vast;

(adverb) snel, stevig, vast;

(verb) vasten;

(noun) vasten

Voorbeeld:

A cheetah is a very fast runner.
Een jachtluipaard is een zeer snelle renner.

obviously

/ˈɑːb.vi.əs.li/

(adverb) uiteraard, duidelijk

Voorbeeld:

Obviously, we need to find a solution quickly.
Uiteraard moeten we snel een oplossing vinden.

quickly

/ˈkwɪk.li/

(adverb) snel, rap, spoedig

Voorbeeld:

She ran quickly to catch the bus.
Ze rende snel om de bus te halen.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland