Vocabulaireverzameling Top 51 - 75 Adverbs in 500 meest voorkomende Engelse bijwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Top 51 - 75 Adverbs' in '500 meest voorkomende Engelse bijwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(preposition) over, boven, aan de andere kant van;
(adverb) voorbij, afgelopen, om;
(adjective) voorbij, afgelopen
Voorbeeld:
(phrase) minstens, ten minste, tenminste
Voorbeeld:
(adverb) weg, af, door;
(adjective) verderop, weg
Voorbeeld:
(adverb) nog, al, toch;
(conjunction) toch, maar
Voorbeeld:
(preposition) in;
(adverb) binnen, thuis, op kantoor;
(adjective) in, populair
Voorbeeld:
(adverb) uit, buiten, afwezig;
(adjective) uit, niet populair;
(preposition) uit, weg
Voorbeeld:
(adverb) geleden
Voorbeeld:
(preposition) rond, om, in de buurt;
(adverb) rond, in de buurt, overal
Voorbeeld:
(preposition) naar beneden, af, langs;
(adverb) naar beneden, onder, gedaald;
(adjective) naar beneden, omlaag, neerslachtig;
(noun) dons, fijne veren;
(verb) neerslaan, omverwerpen
Voorbeeld:
(adverb) omhoog, naar boven, rechtop;
(adjective) goed, in orde;
(verb) stijgen, omhooggaan;
(noun) stijging, toename
Voorbeeld:
(adverb) zeker, beslist, duidelijk
Voorbeeld:
(preposition) voor, voordat;
(adverb) eerder, voorheen;
(conjunction) voordat
Voorbeeld:
(adverb) vooral, in het bijzonder, speciaal
Voorbeeld:
(adverb) helemaal, volkomen, redelijk
Voorbeeld:
(adverb) echter, desondanks, hoe dan ook
Voorbeeld:
(conjunction) hoewel, ofschoon;
(adverb) echter, toch
Voorbeeld:
(determiner) genoeg, voldoende;
(adverb) genoeg, voldoende;
(pronoun) genoeg, voldoende
Voorbeeld:
(adverb) meestal, gewoonlijk
Voorbeeld:
(adverb) spoedig, binnenkort, eerder
Voorbeeld:
(adverb) eindelijk, uiteindelijk, tenslotte
Voorbeeld:
(adverb) volledig, helemaal
Voorbeeld:
(adverb) liever, eerder, nogal
Voorbeeld:
(adjective) snel, vlug, vast;
(adverb) snel, stevig, vast;
(verb) vasten;
(noun) vasten
Voorbeeld:
(adverb) uiteraard, duidelijk
Voorbeeld:
(adverb) snel, rap, spoedig
Voorbeeld: