Avatar of Vocabulary Set Top 301 - 325 Adverbs

Vocabulaireverzameling Top 301 - 325 Adverbs in 500 meest voorkomende Engelse bijwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Top 301 - 325 Adverbs' in '500 meest voorkomende Engelse bijwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

mentally

/ˈmen.t̬əl.i/

(adverb) mentaal, geestelijk, in gedachten

Voorbeeld:

She is mentally strong and can handle pressure.
Ze is mentaal sterk en kan omgaan met druk.

beautifully

/ˈbjuː.t̬ə.fəl.i/

(adverb) prachtig, mooi

Voorbeeld:

She sings beautifully.
Ze zingt prachtig.

secondly

/ˈsek.ənd.li/

(adverb) ten tweede, in de tweede plaats

Voorbeeld:

Firstly, I want to thank you all for coming, and secondly, I'd like to introduce our guest speaker.
Ten eerste wil ik jullie allemaal bedanken voor jullie komst, en ten tweede wil ik onze gastspreker introduceren.

terribly

/ˈter.ə.bli/

(adverb) verschrikkelijk, erg, slecht

Voorbeeld:

I'm terribly sorry for the inconvenience.
Het spijt me verschrikkelijk voor het ongemak.

purely

/ˈpjʊr.li/

(adverb) puur, enkel, zuiver

Voorbeeld:

He did it purely for the money.
Hij deed het puur voor het geld.

both

/boʊθ/

(determiner) beide, zowel;

(pronoun) beide;

(conjunction) zowel...als

Voorbeeld:

Both of them are coming to the party.
Beiden komen naar het feest.

halfway

/ˌhæfˈweɪ/

(adverb) halverwege;

(adjective) half, onvolledig

Voorbeeld:

We stopped halfway to the destination for a break.
We stopten halverwege de bestemming voor een pauze.

upstairs

/ʌpˈsterz/

(adverb) boven, naar boven;

(adjective) bovenste, bovenverdieping;

(noun) bovenverdieping

Voorbeeld:

She went upstairs to get a book.
Ze ging naar boven om een boek te halen.

newly

/ˈnuː.li/

(adverb) nieuw, onlangs

Voorbeeld:

The newly built house has a modern design.
Het nieuw gebouwde huis heeft een modern design.

famously

/ˈfeɪ.məs.li/

(adverb) beroemd, bekend

Voorbeeld:

The city is famously known for its ancient ruins.
De stad staat beroemd bekend om zijn oude ruïnes.

wide

/waɪd/

(adjective) breed, wijd, uitgebreid;

(adverb) wijd, helemaal

Voorbeeld:

The river is very wide at this point.
De rivier is op dit punt erg breed.

freely

/ˈfriː.li/

(adverb) vrijelijk, ongedwongen, gratis

Voorbeeld:

You can move freely in this area.
Je kunt je vrijelijk bewegen in dit gebied.

half

/hæf/

(noun) helft;

(determiner) half;

(adverb) half, gedeeltelijk

Voorbeeld:

She ate half of the apple.
Ze at de helft van de appel.

namely

/ˈneɪm.li/

(adverb) namelijk, dat wil zeggen

Voorbeeld:

There are two main issues, namely, the budget and the timeline.
Er zijn twee hoofdkwesties, namelijk, het budget en de tijdlijn.

likewise

/ˈlaɪk.waɪz/

(adverb) eveneens, ook, evenzo

Voorbeeld:

She smiled at him and he likewise smiled back.
Ze lachte naar hem en hij lachte eveneens terug.

alike

/əˈlaɪk/

(adjective) gelijk, hetzelfde;

(adverb) hetzelfde, gelijkelijk

Voorbeeld:

The two sisters look very alike.
De twee zussen lijken erg op elkaar.

someday

/ˈsʌm.deɪ/

(adverb) ooit, eens

Voorbeeld:

Someday, I hope to travel around the world.
Ooit hoop ik de wereld rond te reizen.

exclusively

/ɪkˈskluː.sɪv.li/

(adverb) uitsluitend, exclusief

Voorbeeld:

This offer is available exclusively to our members.
Deze aanbieding is uitsluitend beschikbaar voor onze leden.

last

/læst/

(adjective) laatste, meest recente;

(adverb) laatst, voor het laatst;

(verb) duren, meegaan, blijven bestaan

Voorbeeld:

This is your last chance.
Dit is je laatste kans.

least

/liːst/

(determiner) minst;

(pronoun) minst;

(adverb) minst

Voorbeeld:

He showed the least interest in the proposal.
Hij toonde de minste interesse in het voorstel.

firmly

/ˈfɝːm.li/

(adverb) stevig, vast, vastberaden

Voorbeeld:

Hold the rope firmly.
Houd het touw stevig vast.

accurately

/ˈæk.jɚ.ət.li/

(adverb) nauwkeurig, precies

Voorbeeld:

The report accurately describes the current situation.
Het rapport beschrijft de huidige situatie nauwkeurig.

individually

/ˌɪn.dəˈvɪdʒ.u.ə.li/

(adverb) individueel, afzonderlijk

Voorbeeld:

Each student was assessed individually.
Elke student werd individueel beoordeeld.

reasonably

/ˈriː.zən.ə.bli/

(adverb) redelijk, verstandig, tamelijk

Voorbeeld:

She argued her point reasonably and calmly.
Ze beargumenteerde haar standpunt redelijk en kalm.

thoroughly

/ˈθɝː.ə.li/

(adverb) grondig, nauwkeurig, volledig

Voorbeeld:

She cleaned the house thoroughly from top to bottom.
Ze maakte het huis grondig schoon van boven naar beneden.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland