Avatar of Vocabulary Set Eten en Drinken

Vocabulaireverzameling Eten en Drinken in Niveau C2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Eten en Drinken' in 'Niveau C2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

gorge

/ɡɔːrdʒ/

(noun) kloof, ravijn;

(verb) volproppen, schrokken

Voorbeeld:

The river carved a deep gorge through the mountains.
De rivier sneed een diepe kloof door de bergen.

nosh

/nɑːʃ/

(noun) eten, snack;

(verb) eten, snacken

Voorbeeld:

Let's grab some nosh before the movie.
Laten we wat eten pakken voor de film.

tuck in

/tʌk ɪn/

(phrasal verb) lekker eten, smullen, instoppen

Voorbeeld:

The children were starving, so they really tucked in when dinner was served.
De kinderen hadden honger, dus ze aten lekker toen het avondeten werd geserveerd.

imbibe

/ɪmˈbaɪb/

(verb) opnemen, absorberen, drinken

Voorbeeld:

She imbibed the local culture during her travels.
Ze nam de lokale cultuur op tijdens haar reizen.

crunch

/krʌntʃ/

(noun) gekraak, knarsen, crisis;

(verb) kraken, knarsen, verwerken

Voorbeeld:

We heard the crunch of gravel under the tires.
We hoorden het gekraak van grind onder de banden.

wolf

/wʊlf/

(noun) wolf, versierder;

(verb) schrokken, verslinden

Voorbeeld:

A pack of wolves howled at the moon.
Een roedel wolven huilde naar de maan.

swig

/swɪɡ/

(noun) slok, teug;

(verb) slokken, gulzig drinken

Voorbeeld:

He took a big swig of water after his run.
Hij nam een grote slok water na zijn run.

lap up

/læp ʌp/

(phrasal verb) opsnuiven, gulzig aannemen, oplappen

Voorbeeld:

The audience lapped up every word of his speech.
Het publiek snoof elk woord van zijn toespraak op.

chug

/tʃʌɡ/

(verb) snel drinken, achteroverslaan, puffen;

(noun) gepuff, getuf

Voorbeeld:

He chugged down the entire beer in one go.
Hij goot het hele bier in één keer naar binnen.

chomp

/tʃɑːmp/

(verb) kauwen, happen;

(noun) hap, kauw

Voorbeeld:

The horse began to chomp on the hay.
Het paard begon luidruchtig op het hooi te kauwen.

quaff

/kwæf/

(verb) drinken, gulzig drinken;

(noun) slok, teug

Voorbeeld:

He quaffed a large mug of ale.
Hij dronk een grote mok bier.

sup

/sʌp/

(exclamation) wat is er, hoi;

(verb) avondeten, souperen, nippen;

(noun) slok, teug

Voorbeeld:

Sup, man? Long time no see!
Wat is er, man? Lang niet gezien!

guzzle

/ˈɡʌz.əl/

(verb) slobberen, gulzig drinken, verbruiken

Voorbeeld:

He guzzled down the entire bottle of soda in seconds.
Hij slobberde de hele fles frisdrank in seconden naar binnen.

swill

/swɪl/

(noun) zwijnenvoer, spoeling, slok;

(verb) zwelgen, gulzig drinken, spoelen

Voorbeeld:

The farmer poured the leftover swill into the pigs' trough.
De boer goot de overgebleven zwijnenvoer in de trog van de varkens.

confit

/koʊnˈfiː/

(noun) confit

Voorbeeld:

The restaurant is famous for its duck confit.
Het restaurant is beroemd om zijn eendenconfit.

broiling

/ˈbrɔɪ.lɪŋ/

(adjective) bloedheet, verzengend;

(verb) grillen, roosteren

Voorbeeld:

It was a broiling hot day, perfect for the beach.
Het was een bloedhete dag, perfect voor het strand.

chutney

/ˈtʃʌt.ni/

(noun) chutney

Voorbeeld:

She served the curry with a side of mango chutney.
Ze serveerde de curry met een bijgerecht van mangochutney.

binge

/bɪndʒ/

(noun) bui, periode van overmatig gebruik;

(verb) binge-eten, overmatig consumeren

Voorbeeld:

He went on a drinking binge last night.
Hij ging gisteravond op een drinkbui.

commis

/ˈkɑː.mi/

(noun) commis, junior bediende, assistent

Voorbeeld:

The young commis diligently filed the documents.
De jonge commis archiveerde ijverig de documenten.

antipasto

/ˌæn.t̬iˈpɑː.stoʊ/

(noun) antipasto, voorgerecht

Voorbeeld:

We started our dinner with a delicious antipasto platter.
We begonnen ons diner met een heerlijke antipasto schotel.

wholefood

/ˈhoʊlfuːd/

(noun) natuurvoeding, volwaardige voeding

Voorbeeld:

Eating wholefoods is essential for a healthy diet.
Het eten van natuurvoeding is essentieel voor een gezond dieet.

clean eating

/kliːn ˈiːtɪŋ/

(noun) schoon eten, gezond eten

Voorbeeld:

She adopted clean eating to improve her overall health and energy levels.
Ze nam schoon eten aan om haar algehele gezondheid en energieniveaus te verbeteren.

buttery

/ˈbʌt̬.ɚ.i/

(adjective) boterachtig, boterig, boterzacht

Voorbeeld:

The croissant had a rich, buttery flavor.
De croissant had een rijke, boterachtige smaak.

delectable

/dɪˈlek.tə.bəl/

(adjective) heerlijk, verrukkelijk, charmant

Voorbeeld:

The chef prepared a delectable meal.
De chef bereidde een heerlijke maaltijd.

epicurean

/ˌep.əˈkjʊr.i.ən/

(noun) epicurist, genieter, fijnproever;

(adjective) epicuristisch, van Epicurus, genotzuchtig

Voorbeeld:

He considers himself an epicurean, always seeking out the best restaurants.
Hij beschouwt zichzelf als een epicurist, altijd op zoek naar de beste restaurants.

culinary

/ˈkʌl.ə.ner.i/

(adjective) culinair, kook-

Voorbeeld:

She has a passion for culinary arts.
Ze heeft een passie voor culinaire kunsten.

scrumptious

/ˈskrʌmp.ʃəs/

(adjective) heerlijk, lekker

Voorbeeld:

The cake was absolutely scrumptious.
De taart was absoluut heerlijk.

corkage

/ˈkɔːr.kɪdʒ/

(noun) kurkgeld

Voorbeeld:

Some restaurants charge a corkage fee if you bring your own wine.
Sommige restaurants rekenen kurkgeld als je je eigen wijn meeneemt.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland