Avatar of Vocabulary Set A2 - Landen en Nationaliteiten

Vocabulaireverzameling A2 - Landen en Nationaliteiten in Niveau A2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A2 - Landen en Nationaliteiten' in 'Niveau A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

Australia

/ɑːˈstreɪl.jə/

(noun) Australië

Voorbeeld:

Many people dream of visiting Australia.
Veel mensen dromen ervan Australië te bezoeken.

Australian

/ɑːˈstreɪl.jən/

(noun) Australiër, inwoner van Australië;

(adjective) Australisch

Voorbeeld:

He met an Australian while traveling in Europe.
Hij ontmoette een Australiër tijdens zijn reis in Europa.

England

/ˈɪŋ.ɡlənd/

(noun) Engeland

Voorbeeld:

London is the capital city of England.
Londen is de hoofdstad van Engeland.

English

/ˈɪŋ.ɡlɪʃ/

(noun) Engels;

(adjective) Engels

Voorbeeld:

She is fluent in English and French.
Ze spreekt vloeiend Engels en Frans.

scotland

/ˈskɑːt.lənd/

(noun) Schotland

Voorbeeld:

Edinburgh is the capital city of Scotland.
Edinburgh is de hoofdstad van Schotland.

Scottish

/ˈskɑː.t̬ɪʃ/

(adjective) Schots;

(noun) de Schotten

Voorbeeld:

She has a strong Scottish accent.
Ze heeft een sterk Schots accent.

ireland

/ˈaɪr.lənd/

(noun) Ierland

Voorbeeld:

My ancestors came from Ireland.
Mijn voorouders kwamen uit Ierland.

irish

/ˈaɪə.rɪʃ/

(adjective) Iers;

(noun) Iers

Voorbeeld:

She has a strong Irish accent.
Ze heeft een sterk Iers accent.

switzerland

/ˈswɪt.sɚ.lənd/

(noun) Zwitserland

Voorbeeld:

She plans to go skiing in Switzerland this winter.
Ze is van plan om deze winter te gaan skiën in Zwitserland.

swiss

/swɪs/

(adjective) Zwitsers;

(plural noun) Zwitsers

Voorbeeld:

He enjoys eating Swiss chocolate.
Hij geniet van het eten van Zwitserse chocolade.

austria

/ˈɑː.stri.ə/

(noun) Oostenrijk

Voorbeeld:

Vienna is the capital city of Austria.
Wenen is de hoofdstad van Oostenrijk.

austrian

/ˈɔː.striːən/

(noun) Oostenrijker;

(adjective) Oostenrijks

Voorbeeld:

He met an Austrian while traveling in Europe.
Hij ontmoette een Oostenrijker tijdens zijn reis door Europa.

netherlands

/ˈneð.ɚ.ləndz/

(noun) Nederland

Voorbeeld:

Amsterdam is the capital city of the Netherlands.
Amsterdam is de hoofdstad van Nederland.

dutch

/dʌtʃ/

(noun) Nederlands;

(adjective) Nederlands, Hollands

Voorbeeld:

She is fluent in Dutch and English.
Ze spreekt vloeiend Nederlands en Engels.

denmark

/ˈden.mɑːrk/

(noun) Denemarken

Voorbeeld:

Copenhagen is the capital city of Denmark.
Kopenhagen is de hoofdstad van Denemarken.

Danish

/ˈdeɪ.nɪʃ/

(noun) Deens;

(adjective) Deens

Voorbeeld:

She is learning to speak Danish.
Ze leert Deens spreken.

norway

/ˈnɔːr.weɪ/

(noun) Noorwegen

Voorbeeld:

Oslo is the capital city of Norway.
Oslo is de hoofdstad van Noorwegen.

norwegian

/nɔːrˈwiː.dʒən/

(noun) Noor, Noorse, Noors;

(adjective) Noors

Voorbeeld:

The Norwegian greeted us warmly.
De Noor begroette ons hartelijk.

sweden

/ˈswiː.dən/

(noun) Zweden

Voorbeeld:

She plans to travel to Sweden next summer.
Ze is van plan om volgende zomer naar Zweden te reizen.

swedish

/ˈswiː.dɪʃ/

(adjective) Zweeds;

(noun) Zweeds, Zweden

Voorbeeld:

She is learning Swedish.
Ze leert Zweeds.

poland

/ˈpoʊ.lənd/

(noun) Polen

Voorbeeld:

Warsaw is the capital city of Poland.
Warschau is de hoofdstad van Polen.

polish

/ˈpɑː.lɪʃ/

(noun) poetsmiddel, glansmiddel;

(verb) poetsen, polijsten, verbeteren;

(adjective) Pools

Voorbeeld:

She applied a coat of furniture polish to the table.
Ze bracht een laag meubelpoets aan op de tafel.

egypt

/ˈiː.dʒɪpt/

(noun) Egypte

Voorbeeld:

The ancient history of Egypt is fascinating.
De oude geschiedenis van Egypte is fascinerend.

egyptian

/iˈdʒɪp.ʃən/

(noun) Egyptenaar;

(adjective) Egyptisch

Voorbeeld:

The ancient Egyptians built the pyramids.
De oude Egyptenaren bouwden de piramides.

turkey

/ˈtɝː.ki/

(noun) kalkoen, idioot, domoor

Voorbeeld:

We had roasted turkey for Thanksgiving dinner.
We hadden gebraden kalkoen voor het Thanksgiving-diner.

turkish

/ˈtɝː.kɪʃ/

(adjective) Turks;

(noun) Turks

Voorbeeld:

She is learning Turkish to communicate with her grandparents.
Ze leert Turks om met haar grootouders te communiceren.

Greece

/ɡriːs/

(noun) Griekenland

Voorbeeld:

We are planning a trip to Greece next summer.
We plannen een reis naar Griekenland volgende zomer.

Greek

/ɡriːk/

(noun) Griek;

(adjective) Grieks

Voorbeeld:

He is a proud Greek, deeply connected to his heritage.
Hij is een trotse Griek, diep verbonden met zijn erfgoed.

Vietnam

/ˌvjetˈnæm/

(noun) Vietnam

Voorbeeld:

My family is planning a trip to Vietnam next year.
Mijn familie plant volgend jaar een reis naar Vietnam.

Vietnamese

/ˌvjet.nəˈmiːz/

(noun) Vietnamees, Vietnamese;

(adjective) Vietnamees

Voorbeeld:

Many Vietnamese live abroad.
Veel Vietnamezen wonen in het buitenland.

Saudi Arabia

/ˌsaʊdi əˈreɪbiə/

(noun) Saoedi-Arabië

Voorbeeld:

Saudi Arabia is known for its vast oil reserves.
Saoedi-Arabië staat bekend om zijn enorme oliereserves.

saudi

/ˈsaʊ.di/

(adjective) Saoedisch;

(noun) Saoedi, Saoedische

Voorbeeld:

The company has a strong presence in the Saudi market.
Het bedrijf heeft een sterke aanwezigheid op de Saoedische markt.

flag

/flæɡ/

(noun) vlag;

(verb) markeren, vlaggen, verslappen

Voorbeeld:

The national flag was raised at dawn.
De nationale vlag werd bij zonsopgang gehesen.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland