Avatar of Vocabulary Set A2 - Dieren

Vocabulaireverzameling A2 - Dieren in Niveau A2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A2 - Dieren' in 'Niveau A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

pet

/pet/

(noun) huisdier, lieveling, oogappel;

(verb) aaien, strelen;

(adjective) huisdier-, tam

Voorbeeld:

My cat is a beloved pet.
Mijn kat is een geliefd huisdier.

lamb

/læm/

(noun) lam, lamsvlees;

(verb) lammeren

Voorbeeld:

The shepherd carried a newborn lamb in his arms.
De herder droeg een pasgeboren lam in zijn armen.

camel

/ˈkæm.əl/

(noun) kameel

Voorbeeld:

The caravan of merchants rode their camels across the desert.
De karavaan van handelaren reed op hun kamelen door de woestijn.

tiger

/ˈtaɪ.ɡɚ/

(noun) tijger, felle persoon, formidabele persoon

Voorbeeld:

The tiger stalked its prey silently through the tall grass.
De tijger besloop zijn prooi geruisloos door het hoge gras.

whale

/weɪl/

(noun) walvis, kolos, reus;

(verb) slaan, afranselen

Voorbeeld:

The majestic blue whale is the largest animal on Earth.
De majestueuze blauwe walvis is het grootste dier op aarde.

penguin

/ˈpeŋ.ɡwɪn/

(noun) pinguïn

Voorbeeld:

The penguin waddled across the ice.
De pinguïn waggelde over het ijs.

shark

/ʃɑːrk/

(noun) haai, woekeraar, uitbuiter;

(verb) uitbuiten, bedriegen

Voorbeeld:

A great white shark was spotted near the coast.
Een grote witte haai werd gespot nabij de kust.

insect

/ˈɪn.sekt/

(noun) insect

Voorbeeld:

A bee is a type of insect.
Een bij is een soort insect.

fly

/flaɪ/

(verb) vliegen, schieten, voorbijvliegen;

(noun) vlieg, gulp

Voorbeeld:

Birds fly south for the winter.
Vogels vliegen naar het zuiden voor de winter.

spider

/ˈspaɪ.dɚ/

(noun) spin, spinnenmoersleutel

Voorbeeld:

A large spider crawled across the ceiling.
Een grote spin kroop over het plafond.

crocodile

/ˈkrɑː.kə.daɪl/

(noun) krokodil

Voorbeeld:

The safari guide warned us about the crocodiles in the river.
De safarigids waarschuwde ons voor de krokodillen in de rivier.

dolphin

/ˈdɑːl.fɪn/

(noun) dolfijn

Voorbeeld:

We saw a pod of dolphins swimming alongside our boat.
We zagen een groep dolfijnen naast onze boot zwemmen.

fox

/fɑːks/

(noun) vos, sluw persoon;

(verb) foppen, bedriegen

Voorbeeld:

The fox darted across the field.
De vos schoot over het veld.

hamster

/ˈhæm.stɚ/

(noun) hamster

Voorbeeld:

My sister got a new hamster for her birthday.
Mijn zus kreeg een nieuwe hamster voor haar verjaardag.

tail

/teɪl/

(noun) staart, achterkant, einde;

(verb) volgen, achtervolgen

Voorbeeld:

The dog wagged its tail excitedly.
De hond kwispelde enthousiast met zijn staart.

wool

/wʊl/

(noun) wol, wollen stof

Voorbeeld:

This sweater is made of 100% pure wool.
Deze trui is gemaakt van 100% zuivere wol.

egg

/eɡ/

(noun) ei;

(verb) aanzetten, aanmoedigen

Voorbeeld:

The bird laid an egg in the nest.
De vogel legde een ei in het nest.

web

/web/

(noun) web, spinnenweb, internet;

(verb) bedekken met een web, verbinden

Voorbeeld:

The spider spun a intricate web between the branches.
De spin spon een ingewikkeld web tussen de takken.

zoo

/zuː/

(noun) dierentuin, zoo

Voorbeeld:

We spent the whole day at the zoo, watching the lions and elephants.
We brachten de hele dag door in de dierentuin, kijkend naar de leeuwen en olifanten.

deer

/dɪr/

(noun) hert

Voorbeeld:

We saw a beautiful deer grazing in the meadow.
We zagen een prachtig hert grazen in de weide.

eagle

/ˈiː.ɡəl/

(noun) adelaar, eagle (golf)

Voorbeeld:

An eagle soared high above the mountains.
Een adelaar zweefde hoog boven de bergen.

beetle

/ˈbiː.t̬əl/

(noun) kever;

(verb) uitsteken, overhangen, fronsen

Voorbeeld:

A large black beetle crawled across the path.
Een grote zwarte kever kroop over het pad.

bee

/biː/

(noun) bij

Voorbeeld:

A bee buzzed past my ear.
Een bij zoemde langs mijn oor.

butterfly

/ˈbʌt̬.ɚ.flaɪ/

(noun) vlinder;

(verb) vlinderen, opensnijden

Voorbeeld:

A beautiful butterfly landed on the flower.
Een prachtige vlinder landde op de bloem.

mosquito

/məˈskiː.t̬oʊ/

(noun) mug

Voorbeeld:

A single mosquito bite can transmit diseases.
Eén enkele muggenbeet kan ziekten overbrengen.

ladybug

/ˈleɪ.di.bʌɡ/

(noun) lieveheersbeestje

Voorbeeld:

A bright red ladybug landed on my hand.
Een felrode lieveheersbeestje landde op mijn hand.

cockroach

/ˈkɑːk.roʊtʃ/

(noun) kakkerlak

Voorbeeld:

I saw a cockroach scuttling across the kitchen floor.
Ik zag een kakkerlak over de keukenvloer rennen.

firefly

/ˈfaɪr.flaɪ/

(noun) glimworm, vuurvlieg

Voorbeeld:

We watched the fireflies glow in the evening.
We keken hoe de glimwormen 's avonds gloeiden.

type

/taɪp/

(noun) type, soort, lettertype;

(verb) typen, intypen

Voorbeeld:

What type of music do you like?
Welk type muziek vind je leuk?

wild

/waɪld/

(adjective) wild, onbeheerst, onbewoond;

(noun) wildernis, natuur;

(adverb) wild, ongecontroleerd

Voorbeeld:

We saw a herd of wild horses galloping across the plains.
We zagen een kudde wilde paarden over de vlaktes galopperen.

hunt

/hʌnt/

(verb) jagen, jacht maken op, zoeken;

(noun) jacht, speurtocht

Voorbeeld:

They went out to hunt deer in the forest.
Ze gingen het bos in om herten te jagen.

ride

/raɪd/

(verb) rijden, nemen;

(noun) rit, tocht, lift

Voorbeeld:

She loves to ride her horse every morning.
Ze houdt ervan om elke ochtend op haar paard te rijden.

kind

/kaɪnd/

(noun) soort, type;

(adjective) aardig, vriendelijk, lief

Voorbeeld:

What kind of music do you like?
Wat voor soort muziek vind je leuk?
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland