Betekenis van het woord trips in het Nederlands

Wat betekent trips in het Engels? Ontdek de betekenis, uitspraak en specifiek gebruik van dit woord met Lingoland

trips

US /trɪps/
UK /trɪps/

Zelfstandig Naamwoord

1.

reis, uitstapje

a journey or excursion, especially for pleasure

Voorbeeld:
We're planning a weekend trip to the mountains.
We plannen een weekendtrip naar de bergen.
How was your business trip to New York?
Hoe was je zakenreis naar New York?
2.

struikelpartij, val

an act of catching one's foot on something and stumbling or falling

Voorbeeld:
He took a nasty trip over the rug.
Hij maakte een lelijke struikelpartij over het tapijt.
Be careful not to trip on the loose paving stone.
Pas op dat je niet struikelt over de losse stoeptegel.

Werkwoord

1.

struikelen, vallen

to catch one's foot on something and stumble or fall

Voorbeeld:
He might trip if he doesn't watch where he's going.
Hij zou kunnen struikelen als hij niet oplet waar hij loopt.
The wire caused her to trip and drop the tray.
De draad zorgde ervoor dat ze struikelde en het dienblad liet vallen.
2.

reizen, een uitstapje maken

to go on a journey or excursion

Voorbeeld:
They decided to trip across Europe for their honeymoon.
Ze besloten voor hun huwelijksreis door Europa te reizen.
We're going to trip down to the beach this weekend.
We gaan dit weekend naar het strand trippen.