Betekenis van het woord tied in het Nederlands
Wat betekent tied in het Engels? Ontdek de betekenis, uitspraak en specifiek gebruik van dit woord met Lingoland
tied
US /taɪd/
UK /taɪd/
Bijvoeglijk Naamwoord
1.
vastgebonden, geknoopt
fastened or secured with a rope, string, or similar material
Voorbeeld:
•
The boat was tied to the dock.
De boot was vastgebonden aan de kade.
•
Her hair was tied back in a ponytail.
Haar haar was vastgebonden in een paardenstaart.
2.
gelijk, gelijkspel
having an equal score or result in a contest or election
Voorbeeld:
•
The game ended in a tied score of 2-2.
De wedstrijd eindigde in een gelijkspel van 2-2.
•
The two candidates were tied in the polls.
De twee kandidaten stonden gelijk in de peilingen.
3.
gebonden, beperkt
restricted or limited by circumstances or obligations
Voorbeeld:
•
He's tied up with work all week.
Hij zit de hele week vast met werk.
•
Their hands are tied by the regulations.
Hun handen zijn gebonden door de regelgeving.
Voltooid Deelwoord
vastbinden, knopen
past participle of 'tie'
Voorbeeld:
•
He had tied his shoelaces before leaving.
Hij had zijn veters gestrikt voordat hij wegging.
•
The package was securely tied with string.
Het pakket was stevig vastgebonden met touw.
Gerelateerd Woord: