Betekenis van het woord grazing in het Nederlands
Wat betekent grazing in het Engels? Ontdek de betekenis, uitspraak en specifiek gebruik van dit woord met Lingoland
grazing
US /ˈɡreɪ.zɪŋ/
UK /ˈɡreɪ.zɪŋ/
Zelfstandig Naamwoord
1.
graasland, weide
grassland suitable for pasturage
Voorbeeld:
•
The cattle were moved to fresh grazing.
Het vee werd naar vers graasland verplaatst.
•
There is plenty of good grazing for the sheep.
Er is voldoende goed graasland voor de schapen.
2.
grazen, begrazing
the act of eating grass or other vegetation in a field
Voorbeeld:
•
The cows spent the day grazing in the meadow.
De koeien brachten de dag door met grazen in de wei.
•
The farmer observed the sheep's grazing patterns.
De boer observeerde de graaspatronen van de schapen.
Werkwoord
1.
grazen, weiden
eat grass or other vegetation in a field
Voorbeeld:
•
The sheep were grazing peacefully in the field.
De schapen waren vredig aan het grazen in het veld.
•
Horses often graze for several hours a day.
Paarden grazen vaak meerdere uren per dag.
2.
schampen, licht raken
touch or scrape lightly in passing
Voorbeeld:
•
The bullet just grazed his arm.
De kogel schampte net zijn arm.
•
He felt a branch graze his cheek as he walked through the forest.
Hij voelde een tak zijn wang schampen toen hij door het bos liep.
Gerelateerd Woord: