Vocabulaireverzameling Schade en gevaar in Essentiële SAT-woordenschat voor het examen: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Schade en gevaar' in 'Essentiële SAT-woordenschat voor het examen' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(verb) in gevaar brengen, op het spel zetten
Voorbeeld:
(verb) in gevaar brengen, bedreigen
Voorbeeld:
(verb) bedreigen, dreigen, gevaar vormen voor
Voorbeeld:
(noun) compromis, schikking, aantasting;
(verb) compromitteren, concessies doen, aantasten
Voorbeeld:
(verb) toebrengen, veroorzaken
Voorbeeld:
(verb) teisteren, kwellen, treffen
Voorbeeld:
(verb) verontreinigen, besmetten
Voorbeeld:
(noun) moeite, problemen, gedoe;
(verb) storen, lastigvallen
Voorbeeld:
(verb) bederven, beschadigen, ontsieren
Voorbeeld:
(verb) verzwakken, ondermijnen
Voorbeeld:
(verb) decimeren, uitdunnen
Voorbeeld:
(noun) hinderlaag;
(verb) overvallen vanuit een hinderlaag, onderscheppen
Voorbeeld:
(verb) verwoesten, vernietigen;
(noun) verwoesting, vernietiging
Voorbeeld:
(verb) bezoedelen, bevuilen
Voorbeeld:
(verb) discrediteren, in diskrediet brengen, ontkrachten;
(noun) diskrediet, oneer
Voorbeeld:
(verb) ontkrachten, ontmaskeren
Voorbeeld:
(noun) toxiciteit, schadelijkheid
Voorbeeld:
(noun) benarde situatie, penibele toestand, nood
Voorbeeld:
(adjective) onschuldig, niet aanstootgevend, onschadelijk
Voorbeeld:
(adjective) dreigend, bedreigend
Voorbeeld:
(adjective) gevaarlijk, risicovol
Voorbeeld:
(adjective) vijandig, schadelijk
Voorbeeld:
(adjective) giftig, kwaadaardig
Voorbeeld:
(adjective) corrosief, bijtend, vernietigend;
(noun) corrosieve stof, bijtend middel
Voorbeeld:
(adjective) schadelijk, giftig, verderfelijk
Voorbeeld:
(adjective) onherbergzaam, onvriendelijk, ongastvrij
Voorbeeld:
(adjective) vatbaar, gevoelig
Voorbeeld:
(adjective) ongeschonden, onveranderd, heilig
Voorbeeld:
(adjective) onschadelijk, onschuldig
Voorbeeld:
(adjective) onheilspellend, dreigend
Voorbeeld:
(adjective) verwoestend, vernietigend, schokkend
Voorbeeld:
(adjective) dodelijk, fataal, vernietigend
Voorbeeld:
(adjective) verraderlijk, trouweloos, gevaarlijk
Voorbeeld:
(adjective) onherstelbaar, irreparabel
Voorbeeld:
(adjective) catastrofaal, rampzalig
Voorbeeld: