Avatar of Vocabulary Set Schade en gevaar

Vocabulaireverzameling Schade en gevaar in Essentiële SAT-woordenschat voor het examen: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Schade en gevaar' in 'Essentiële SAT-woordenschat voor het examen' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

jeopardize

/ˈdʒep.ɚ.daɪz/

(verb) in gevaar brengen, op het spel zetten

Voorbeeld:

His reckless actions could jeopardize the entire mission.
Zijn roekeloze acties kunnen de hele missie in gevaar brengen.

imperil

/ɪmˈper.əl/

(verb) in gevaar brengen, bedreigen

Voorbeeld:

The oil spill could imperil the local ecosystem.
De olievlek zou het lokale ecosysteem in gevaar kunnen brengen.

threaten

/ˈθret.ən/

(verb) bedreigen, dreigen, gevaar vormen voor

Voorbeeld:

He threatened to report them to the police.
Hij dreigde hen aan te geven bij de politie.

compromise

/ˈkɑːm.prə.maɪz/

(noun) compromis, schikking, aantasting;

(verb) compromitteren, concessies doen, aantasten

Voorbeeld:

After long negotiations, they finally reached a compromise.
Na lange onderhandelingen bereikten ze eindelijk een compromis.

inflict

/ɪnˈflɪkt/

(verb) toebrengen, veroorzaken

Voorbeeld:

The storm inflicted severe damage on the coastal towns.
De storm veroorzaakte ernstige schade aan de kuststeden.

afflict

/əˈflɪkt/

(verb) teisteren, kwellen, treffen

Voorbeeld:

Severe drought continues to afflict the region.
Ernstige droogte blijft de regio teisteren.

contaminate

/kənˈtæm.ə.neɪt/

(verb) verontreinigen, besmetten

Voorbeeld:

The spill could contaminate the entire water supply.
De lekkage kan de hele watervoorziening verontreinigen.

trouble

/ˈtrʌb.əl/

(noun) moeite, problemen, gedoe;

(verb) storen, lastigvallen

Voorbeeld:

He's always getting into trouble.
Hij komt altijd in de problemen.

mar

/mɑːr/

(verb) bederven, beschadigen, ontsieren

Voorbeeld:

The accident marred his perfect driving record.
Het ongeluk bedierf zijn perfecte rijrecord.

debilitate

/dɪˈbɪl.ə.teɪt/

(verb) verzwakken, ondermijnen

Voorbeeld:

The disease can severely debilitate the immune system.
De ziekte kan het immuunsysteem ernstig verzwakken.

decimate

/ˈdes.ə.meɪt/

(verb) decimeren, uitdunnen

Voorbeeld:

The population was decimated by a plague.
De bevolking werd gedecimeerd door een plaag.

ambush

/ˈæm.bʊʃ/

(noun) hinderlaag;

(verb) overvallen vanuit een hinderlaag, onderscheppen

Voorbeeld:

The soldiers were caught in an ambush.
De soldaten liepen in een hinderlaag.

ravage

/ˈræv.ɪdʒ/

(verb) verwoesten, vernietigen;

(noun) verwoesting, vernietiging

Voorbeeld:

The forest fire ravaged the entire hillside.
De bosbrand verwoestte de hele heuvel.

sully

/ˈsʌl.i/

(verb) bezoedelen, bevuilen

Voorbeeld:

The scandal threatened to sully his reputation.
Het schandaal dreigde zijn reputatie te bezoedelen.

discredit

/dɪˈskred.ɪt/

(verb) discrediteren, in diskrediet brengen, ontkrachten;

(noun) diskrediet, oneer

Voorbeeld:

The scandal served to discredit the politician.
Het schandaal diende om de politicus te discrediteren.

debunk

/ˌdiːˈbʌŋk/

(verb) ontkrachten, ontmaskeren

Voorbeeld:

The article aims to debunk the myth that all politicians are corrupt.
Het artikel is bedoeld om de mythe dat alle politici corrupt zijn te ontkrachten.

toxicity

/taːkˈsis.ə.t̬i/

(noun) toxiciteit, schadelijkheid

Voorbeeld:

The chemical's toxicity level is a major concern.
Het toxiciteitsniveau van de chemische stof is een grote zorg.

plight

/plaɪt/

(noun) benarde situatie, penibele toestand, nood

Voorbeeld:

The refugees' plight moved the international community to action.
De benarde situatie van de vluchtelingen bewoog de internationale gemeenschap tot actie.

inoffensive

/ˌɪn.əˈfen.sɪv/

(adjective) onschuldig, niet aanstootgevend, onschadelijk

Voorbeeld:

He made an inoffensive remark about the weather.
Hij maakte een onschuldige opmerking over het weer.

menacing

/ˈmen.ə.sɪŋ/

(adjective) dreigend, bedreigend

Voorbeeld:

The dark clouds looked menacing, signaling a storm.
De donkere wolken zagen er dreigend uit, wat een storm aankondigde.

hazardous

/ˈhæz.ɚ.dəs/

(adjective) gevaarlijk, risicovol

Voorbeeld:

Working with chemicals can be hazardous.
Werken met chemicaliën kan gevaarlijk zijn.

inimical

/ɪˈnɪm.ɪ.kəl/

(adjective) vijandig, schadelijk

Voorbeeld:

Excessive regulation is inimical to economic growth.
Buitensporige regelgeving is schadelijk voor de economische groei.

poisonous

/ˈpɔɪ.zən.əs/

(adjective) giftig, kwaadaardig

Voorbeeld:

Be careful, some mushrooms are highly poisonous.
Wees voorzichtig, sommige paddenstoelen zijn zeer giftig.

corrosive

/kəˈroʊ.sɪv/

(adjective) corrosief, bijtend, vernietigend;

(noun) corrosieve stof, bijtend middel

Voorbeeld:

The corrosive effects of salt water can damage the ship's hull.
De corrosieve effecten van zout water kunnen de romp van het schip beschadigen.

noxious

/ˈnɑːk.ʃəs/

(adjective) schadelijk, giftig, verderfelijk

Voorbeeld:

The factory was closed down for releasing noxious fumes into the atmosphere.
De fabriek werd gesloten vanwege het uitstoten van giftige dampen in de atmosfeer.

inhospitable

/ˌɪn.hɑːˈspɪt̬.ə.bəl/

(adjective) onherbergzaam, onvriendelijk, ongastvrij

Voorbeeld:

The desert is an inhospitable environment for most plants.
De woestijn is een onherbergzame omgeving voor de meeste planten.

susceptible

/səˈsep.tə.bəl/

(adjective) vatbaar, gevoelig

Voorbeeld:

Elderly people are more susceptible to the flu.
Oudere mensen zijn meer vatbaar voor griep.

inviolate

/ɪnˈvaɪə.lət/

(adjective) ongeschonden, onveranderd, heilig

Voorbeeld:

The constitution must remain inviolate to protect the rights of the citizens.
De grondwet moet ongeschonden blijven om de rechten van de burgers te beschermen.

innocuous

/ɪˈnɑː.kju.əs/

(adjective) onschadelijk, onschuldig

Voorbeeld:

The spider was small and innocuous, posing no threat.
De spin was klein en onschadelijk, vormde geen bedreiging.

ominous

/ˈɑː.mə.nəs/

(adjective) onheilspellend, dreigend

Voorbeeld:

The sky grew dark and ominous.
De lucht werd donker en onheilspellend.

devastating

/ˈdev.ə.steɪ.t̬ɪŋ/

(adjective) verwoestend, vernietigend, schokkend

Voorbeeld:

The hurricane caused devastating damage to the coastal towns.
De orkaan veroorzaakte verwoestende schade aan de kustplaatsen.

lethal

/ˈliː.θəl/

(adjective) dodelijk, fataal, vernietigend

Voorbeeld:

The snake's venom was lethal.
Het gif van de slang was dodelijk.

treacherous

/ˈtretʃ.ɚ.əs/

(adjective) verraderlijk, trouweloos, gevaarlijk

Voorbeeld:

He was accused of being a treacherous spy.
Hij werd beschuldigd van een verraderlijke spion te zijn.

irreparable

/ɪˈrep.ər.ə.bəl/

(adjective) onherstelbaar, irreparabel

Voorbeeld:

The damage to the ancient manuscript was irreparable.
De schade aan het oude manuscript was onherstelbaar.

catastrophic

/ˌkæt̬.əˈstrɑː.fɪk/

(adjective) catastrofaal, rampzalig

Voorbeeld:

The earthquake caused catastrophic damage to the city.
De aardbeving veroorzaakte catastrofale schade aan de stad.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland