Avatar of Vocabulary Set Soorten kleding

Vocabulaireverzameling Soorten kleding in Kleding: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Soorten kleding' in 'Kleding' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

blouse

/blaʊs/

(noun) blouse

Voorbeeld:

She wore a silk blouse with a long skirt.
Ze droeg een zijden blouse met een lange rok.

cardigan

/ˈkɑːr.dɪ.ɡən/

(noun) vest, cardigan

Voorbeeld:

She wore a warm wool cardigan over her dress.
Ze droeg een warme wollen vest over haar jurk.

coat

/koʊt/

(noun) jas, mantel, laag;

(verb) bekleden, coaten

Voorbeeld:

She put on her winter coat before going outside.
Ze trok haar winterjas aan voordat ze naar buiten ging.

dress

/dres/

(noun) jurk;

(verb) aankleden, dresseren, bereiden

Voorbeeld:

She wore a beautiful blue dress to the party.
Ze droeg een prachtige blauwe jurk naar het feest.

jacket

/ˈdʒæk.ɪt/

(noun) jas, jack, omslag

Voorbeeld:

She wore a warm winter jacket.
Ze droeg een warme winterjas.

jeans

/dʒiːnz/

(plural noun) jeans, spijkerbroek

Voorbeeld:

She always wears blue jeans.
Ze draagt altijd blauwe jeans.

jumper

/ˈdʒʌm.pɚ/

(noun) trui, pullover, springer

Voorbeeld:

It's cold outside, so put on a warm jumper.
Het is koud buiten, dus trek een warme trui aan.

miniskirt

/ˈmɪn.i.skɝːt/

(noun) minirok

Voorbeeld:

She wore a fashionable miniskirt to the party.
Ze droeg een modieuze minirok naar het feest.

polo shirt

/ˈpoʊ.loʊ ʃɜːrt/

(noun) poloshirt

Voorbeeld:

He wore a blue polo shirt and khaki shorts.
Hij droeg een blauw poloshirt en een kaki korte broek.

short

/ʃɔːrt/

(adjective) kort, tekort, onvoldoende;

(adverb) abrupt, plotseling;

(verb) voorschieten, lenen

Voorbeeld:

She has short hair.
Ze heeft kort haar.

skirt

/skɝːt/

(noun) rok, onderkant;

(verb) omzeilen, langsgaan, vermijden

Voorbeeld:

She wore a long, flowing skirt to the party.
Ze droeg een lange, zwierige rok naar het feest.

suit

/suːt/

(noun) pak, kostuum, rechtszaak;

(verb) passen, schikken, staan

Voorbeeld:

He wore a dark blue suit to the interview.
Hij droeg een donkerblauw pak naar het interview.

sweats

/swets/

(plural noun) zweet, angst, sportkleding;

(verb) zweten

Voorbeeld:

He was in a cold sweat before his presentation.
Hij was in het koude zweet voor zijn presentatie.

sweatshirt

/ˈswet.ʃɝːt/

(noun) sweatshirt, trui

Voorbeeld:

He put on a comfortable sweatshirt after his workout.
Hij trok een comfortabele sweatshirt aan na zijn training.

T-shirt

/ˈtiː.ʃɜːrt/

(noun) T-shirt

Voorbeeld:

He was wearing a plain white T-shirt.
Hij droeg een effen wit T-shirt.

tank top

/ˈtæŋk tɑːp/

(noun) tanktop, hemdje

Voorbeeld:

He wore a white tank top under his open shirt.
Hij droeg een wit hemdje onder zijn open overhemd.

trousers

/ˈtraʊ.zɚz/

(plural noun) broek

Voorbeeld:

He was wearing a pair of grey trousers and a white shirt.
Hij droeg een grijze broek en een wit overhemd.

waistcoat

/ˈwes.kət/

(noun) gilet, vest

Voorbeeld:

He wore a three-piece suit with a matching waistcoat.
Hij droeg een driedelig pak met een bijpassend gilet.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland