Vocabulaireverzameling Eenheid 6: Waar is jouw school? in Groep 4: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Eenheid 6: Waar is jouw school?' in 'Groep 4' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren /ˈæd.res/
(noun) adres, toespraak, rede;
(verb) toespreken, aanpakken, adresseren
Voorbeeld:
Please write your name and address on the form.
Schrijf alstublieft uw naam en adres op het formulier.
/klæs/
(noun) klas, les, cursus;
(verb) indelen, classificeren;
(adjective) stijlvol, chic
Voorbeeld:
The teacher greeted the class.
De leraar begroette de klas.
/ˈdɪs.trɪkt/
(noun) district, wijk, bestuurlijk district
Voorbeeld:
The business district is bustling with activity.
Het zakelijke district bruist van activiteit.
/roʊd/
(noun) weg, straat, koers
Voorbeeld:
The new road connects the two cities.
De nieuwe weg verbindt de twee steden.
/skuːl/
(noun) school, schooltijd, les;
(verb) onderwijzen, scholen
Voorbeeld:
My daughter starts school next year.
Mijn dochter begint volgend jaar met school.
/striːm/
(noun) beek, stroom, vloed;
(verb) stromen, vloeien, streamen
Voorbeeld:
The children played by the stream.
De kinderen speelden bij de beek.
/striːt/
(noun) straat, weg, straatbewoners
Voorbeeld:
The children were playing in the street.
De kinderen speelden op straat.
/ˈstʌd.i/
(noun) studie, leren, werkkamer;
(verb) studeren, leren, bestuderen
Voorbeeld:
She spent all night studying for her exams.
Ze heeft de hele nacht gestudeerd voor haar examens.
/ˈvɪl.ɪdʒ/
(noun) dorp
Voorbeeld:
She grew up in a small, quiet village.
Ze groeide op in een klein, rustig dorp.