Vocabulaireverzameling Eenheid 3: Welke dag is het vandaag? in Groep 4: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Eenheid 3: Welke dag is het vandaag?' in 'Groep 4' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren /ˈɪŋ.ɡlɪʃ/
(noun) Engels;
(adjective) Engels
Voorbeeld:
She is fluent in English and French.
Ze spreekt vloeiend Engels en Frans.
/ˈfraɪ.deɪ/
(noun) vrijdag
Voorbeeld:
I'm looking forward to Friday.
Ik kijk uit naar vrijdag.
/ɡɪˈtɑːr/
(noun) gitaar
Voorbeeld:
He learned to play the guitar at a young age.
Hij leerde op jonge leeftijd gitaar spelen.
/ˈmʌn.deɪ/
(noun) maandag
Voorbeeld:
I have a meeting on Monday morning.
Ik heb een vergadering op maandagochtend.
/ˈsæt̬.ɚ.deɪ/
(noun) zaterdag
Voorbeeld:
We're going to the beach on Saturday.
We gaan zaterdag naar het strand.
/ˈsʌn.deɪ/
(noun) zondag
Voorbeeld:
We usually go to church on Sunday mornings.
We gaan meestal op zondagochtend naar de kerk.
/təˈdeɪ/
(adverb) vandaag, vandaag de dag, tegenwoordig;
(noun) vandaag, vandaag de dag, het heden
Voorbeeld:
I have a lot of work to do today.
Ik heb veel werk te doen vandaag.
/ˈtuːz.deɪ/
(noun) dinsdag
Voorbeeld:
I have a meeting on Tuesday morning.
Ik heb een vergadering op dinsdagochtend.
/ˈwenz.deɪ/
(noun) woensdag
Voorbeeld:
I have a meeting on Wednesday morning.
Ik heb een vergadering op woensdagochtend.
/ˈwiːk.end/
(noun) weekend
Voorbeeld:
I'm looking forward to the weekend.
Ik kijk uit naar het weekend.