Avatar of Vocabulary Set Eenheid 12: Wat doet je vader?

Vocabulaireverzameling Eenheid 12: Wat doet je vader? in Groep 4: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Eenheid 12: Wat doet je vader?' in 'Groep 4' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

clerk

/klɝːk/

(noun) bediende, klerk, secretaris;

(verb) als klerk werken, klerkswerk doen

Voorbeeld:

The bank clerk helped me open a new account.
De bankbediende hielp me een nieuwe rekening te openen.

doctor

/ˈdɑːk.tɚ/

(noun) dokter, arts, doctor;

(verb) vervalsen, manipuleren, repareren

Voorbeeld:

The doctor examined the patient carefully.
De dokter onderzocht de patiënt zorgvuldig.

driver

/ˈdraɪ.vɚ/

(noun) chauffeur, bestuurder, driver

Voorbeeld:

The bus driver announced the next stop.
De buschauffeur kondigde de volgende halte aan.

factory

/ˈfæk.tɚ.i/

(noun) fabriek

Voorbeeld:

The new car factory will create many jobs.
De nieuwe autofabriek zal veel banen creëren.

farmer

/ˈfɑːr.mɚ/

(noun) boer, landbouwer

Voorbeeld:

The farmer harvested his crops early this year.
De boer oogstte zijn gewassen dit jaar vroeg.

field

/fiːld/

(noun) veld, akker, gebied;

(verb) beantwoorden, afhandelen

Voorbeeld:

The farmer walked across the field to check on his crops.
De boer liep over het veld om zijn gewassen te controleren.

hospital

/ˈhɑː.spɪ.t̬əl/

(noun) ziekenhuis

Voorbeeld:

She was rushed to the hospital after the accident.
Ze werd na het ongeluk naar het ziekenhuis gebracht.

nurse

/nɝːs/

(noun) verpleegkundige, verpleger, verpleegster;

(verb) verplegen, verzorgen, voeden

Voorbeeld:

The nurse checked the patient's vital signs.
De verpleegkundige controleerde de vitale functies van de patiënt.

student

/ˈstuː.dənt/

(noun) student, leerling

Voorbeeld:

The new student quickly made friends.
De nieuwe student maakte snel vrienden.

uncle

/ˈʌŋ.kəl/

(noun) oom

Voorbeeld:

My uncle took me fishing.
Mijn oom nam me mee vissen.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland