Avatar of Vocabulary Set Eenheid 13: Waar is mijn boek?

Vocabulaireverzameling Eenheid 13: Waar is mijn boek? in Groep 3: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Eenheid 13: Waar is mijn boek?' in 'Groep 3' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

ball

/bɑːl/

(noun) bal, dansfeest;

(verb) ballen, opballen

Voorbeeld:

The children were playing with a red ball in the park.
De kinderen speelden met een rode bal in het park.

bed

/bed/

(noun) bed, bedding, bodem;

(verb) naar bed brengen, te slapen leggen, planten

Voorbeeld:

I'm so tired, I just want to go to bed.
Ik ben zo moe, ik wil gewoon naar bed.

behind

/bɪˈhaɪnd/

(preposition) achter, steunen;

(adverb) achter, te laat;

(adjective) achter, minder succesvol

Voorbeeld:

The dog was hiding behind the couch.
De hond verstopte zich achter de bank.

chair

/tʃer/

(noun) stoel, voorzitter, leider;

(verb) voorzitten, leiden

Voorbeeld:

Please take a chair and sit down.
Neem alstublieft een stoel en ga zitten.

coat

/koʊt/

(noun) jas, mantel, laag;

(verb) bekleden, coaten

Voorbeeld:

She put on her winter coat before going outside.
Ze trok haar winterjas aan voordat ze naar buiten ging.

desk

/desk/

(noun) bureau, schrijftafel, balie

Voorbeeld:

She sat down at her desk and started working.
Ze ging aan haar bureau zitten en begon te werken.

here

/hɪr/

(adverb) hier, daar;

(exclamation) hier, alsjeblieft

Voorbeeld:

Come here and sit down.
Kom hier en ga zitten.

near

/nɪr/

(adverb) dichtbij, nabij;

(preposition) nabij, dichtbij;

(adjective) nabij, dichtbij;

(verb) naderen, dichterbij komen

Voorbeeld:

The school is quite near.
De school is vrij dichtbij.

on

/ɑːn/

(preposition) op, in;

(adverb) aan, in werking, door;

(adjective) doorgaan, gepland

Voorbeeld:

The book is on the table.
Het boek ligt op tafel.

picture

/ˈpɪk.tʃɚ/

(noun) foto, schilderij, afbeelding;

(verb) afbeelden, fotograferen, schilderen

Voorbeeld:

She hung a beautiful picture on the wall.
Ze hing een mooie foto aan de muur.

poster

/ˈpoʊ.stɚ/

(noun) poster, plakkaat

Voorbeeld:

She hung a movie poster on her bedroom wall.
Ze hing een filmposter aan haar slaapkamermuur.

table

/ˈteɪ.bəl/

(noun) tafel, tabel, overzicht;

(verb) uitstellen, opschorten

Voorbeeld:

We gathered around the kitchen table for dinner.
We verzamelden ons rond de keukentafel voor het avondeten.

there

/ðer/

(adverb) daar, erheen, er;

(pronoun) daar, die plaats;

(interjection) er, daar

Voorbeeld:

The book is over there on the shelf.
Het boek ligt daar op de plank.

under

/ˈʌn.dɚ/

(preposition) onder, minder dan;

(adverb) onder, naar beneden;

(adjective) ondergeschikt, minderwaardig

Voorbeeld:

The cat is hiding under the bed.
De kat verstopt zich onder het bed.

wall

/wɑːl/

(noun) muur, wand;

(verb) ommuuren, afsluiten met een muur

Voorbeeld:

The garden is surrounded by a high brick wall.
De tuin is omgeven door een hoge bakstenen muur.

where

/wer/

(adverb) waar, waarheen, waarop;

(conjunction) waar, de plaats waar;

(noun) verblijfplaats, locatie

Voorbeeld:

Where are you going?
Waar ga je heen?
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland