Vocabulaireverzameling Eenheid 9: In de supermarkt in Groep 2: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Eenheid 9: In de supermarkt' in 'Groep 2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren /stɔːr/
(noun) winkel, zaak, voorraad;
(verb) opslaan, bewaren
Voorbeeld:
I need to go to the grocery store to buy some milk.
Ik moet naar de supermarkt om melk te kopen.
/ˈkæn.di/
(noun) snoep, lekkernij;
(verb) kandijeren, versuikeren
Voorbeeld:
The children were excited to get candy on Halloween.
De kinderen waren opgewonden om snoep te krijgen met Halloween.
/ˈjoʊ.ɡɚt/
(noun) yoghurt
Voorbeeld:
She eats yogurt with fruit for breakfast every day.
Ze eet elke dag yoghurt met fruit als ontbijt.
/pəˈteɪ.t̬oʊ/
(noun) aardappel
Voorbeeld:
She peeled the potato for dinner.
Ze schilde de aardappel voor het avondeten.
/təˈmeɪ.t̬oʊ/
(noun) tomaat
Voorbeeld:
She sliced a ripe tomato for her sandwich.
Ze sneed een rijpe tomaat voor haar boterham.
/snæk/
(noun) snack, tussendoortje;
(verb) snacken, tussendoor eten
Voorbeeld:
I usually have a fruit for my afternoon snack.
Ik eet meestal fruit als mijn middagsnack.
/ˈæp.əl/
(noun) appel
Voorbeeld:
She bit into a crisp red apple.
Ze beet in een knapperige rode appel.
/ˈɔːr.ɪndʒ/
(noun) sinaasappel;
(adjective) oranje
Voorbeeld:
She peeled an orange and ate it.
Ze schilde een sinaasappel en at hem op.