Avatar of Vocabulary Set Eenheid 6: Op de boerderij

Vocabulaireverzameling Eenheid 6: Op de boerderij in Groep 2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Eenheid 6: Op de boerderij' in 'Groep 2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

farm

/fɑːrm/

(noun) boerderij, hoeve;

(verb) verbouwen, boeren

Voorbeeld:

My grandparents live on a large farm in the countryside.
Mijn grootouders wonen op een grote boerderij op het platteland.

duck

/dʌk/

(noun) eend;

(verb) duiken, ontwijken

Voorbeeld:

The duck swam gracefully across the pond.
De eend zwom gracieus over de vijver.

farmer

/ˈfɑːr.mɚ/

(noun) boer, landbouwer

Voorbeeld:

The farmer harvested his crops early this year.
De boer oogstte zijn gewassen dit jaar vroeg.

pig

/pɪɡ/

(noun) varken, viespeuk, vreetzak;

(verb) zich volproppen, vreten

Voorbeeld:

The farmer raised a lot of pigs for their meat.
De boer fokte veel varkens voor hun vlees.

cow

/kaʊ/

(noun) koe;

(verb) intimideren, afschrikken

Voorbeeld:

The farmer milked the cow early in the morning.
De boer molk de koe vroeg in de ochtend.

sheep

/ʃiːp/

(noun) schaap, volger, meeloper

Voorbeeld:

The farmer led his flock of sheep to the pasture.
De boer leidde zijn kudde schapen naar de weide.

donkey

/ˈdɑːŋ.ki/

(noun) ezel, domoor

Voorbeeld:

The farmer used a donkey to carry the heavy sacks.
De boer gebruikte een ezel om de zware zakken te dragen.

windmill

/ˈwɪnd.mɪl/

(noun) windmolen;

(verb) rondzwaaien, windmolenbeweging maken

Voorbeeld:

The old windmill stood majestically on the hill.
De oude windmolen stond majestueus op de heuvel.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland