Vocabulaireverzameling Eenheid 10: Het Ecosysteem in Graad 11: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Eenheid 10: Het Ecosysteem' in 'Graad 11' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) biodiversiteit
Voorbeeld:
(noun) vogelspotten
Voorbeeld:
(noun) behoud, natuurbehoud, milieubescherming
Voorbeeld:
(noun) delta, rivierdelta
Voorbeeld:
(verb) vernietigen, verwoesten, kapotmaken
Voorbeeld:
(adjective) ecologisch, milieuvriendelijk, duurzaam
Voorbeeld:
(noun) ecosysteem, complex netwerk
Voorbeeld:
(adjective) bedreigd
Voorbeeld:
(noun) fauna, dierenwereld
Voorbeeld:
(noun) flora, plantenwereld
Voorbeeld:
(noun) voedselketen
Voorbeeld:
(adjective) zoetwater
Voorbeeld:
(noun) habitat, leefgebied
Voorbeeld:
(noun) mangrove, mangroveboom
Voorbeeld:
(adjective) marien, zee-, scheepvaart-;
(noun) marinier
Voorbeeld:
(noun) nationaal park
Voorbeeld:
(noun) inwoner, autochtoon;
(adjective) oorspronkelijk, moeder-, geboorte-
Voorbeeld:
(verb) overmatig gebruiken, te vaak gebruiken;
(noun) overmatig gebruik, misbruik
Voorbeeld:
(noun) schubdier
Voorbeeld:
(noun) middel, hulpbron, vindingrijkheid;
(verb) voorzien van middelen, uitrusten
Voorbeeld:
(noun) soort
Voorbeeld:
(noun) wetland, moerasland
Voorbeeld:
(noun) wilde dieren, fauna
Voorbeeld:
(phrasal verb) zich voeden met, eten, voeden
Voorbeeld:
(idiom) dol op, enthousiast over, verliefd op
Voorbeeld:
(noun) koraalrif
Voorbeeld:
(plural noun) natuurlijke hulpbronnen
Voorbeeld: