Vocabulaireverzameling Unit 9: In de winkel in Groep 1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Unit 9: In de winkel' in 'Groep 1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren /klɑːk/
(noun) klok, uurwerk;
(verb) klokken, meten
Voorbeeld:
The clock on the wall struck noon.
De klok aan de muur sloeg twaalf uur.
/lɑːk/
(noun) slot, sluis, lok;
(verb) sluiten, vergrendelen, blokkeren
Voorbeeld:
He turned the key in the lock and opened the door.
Hij draaide de sleutel in het slot en opende de deur.
/mɑːp/
(noun) dweil, zwabber, bos;
(verb) dweilen, zwabberen
Voorbeeld:
She used a mop to clean up the spilled water.
Ze gebruikte een dweil om het gemorste water op te ruimen.
/pɑːt/
(noun) pot, pan, fonds;
(verb) potten, inpotten, in de pocket stoten
Voorbeeld:
She put the flowers in a beautiful clay pot.
Ze zette de bloemen in een mooie kleien pot.
/ʃɑːp/
(noun) winkel, zaak, werkplaats;
(verb) winkelen, kopen, verlinken
Voorbeeld:
I need to go to the grocery shop.
Ik moet naar de kruidenierswinkel.
/pæn/
(noun) pan, koekenpan, bak;
(verb) afkraken, bekritiseren, pannen
Voorbeeld:
Heat the oil in a large pan.
Verhit de olie in een grote pan.