Vocabulaireverzameling Eenheid 7: In de Tuin in Groep 1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Eenheid 7: In de Tuin' in 'Groep 1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren /ˈɡɑːr.dən/
(noun) tuin;
(verb) tuinieren, beplanten
Voorbeeld:
She spent the afternoon working in her garden.
Ze bracht de middag door met werken in haar tuin.
/ɡeɪt/
(noun) hek, poort, gate;
(verb) gaten, regelen
Voorbeeld:
Please close the gate behind you.
Sluit alstublieft het hek achter u.
/ɡɝːl/
(noun) meisje, meid, dochter
Voorbeeld:
The little girl was playing with her doll.
Het kleine meisje speelde met haar pop.
/ɡoʊt/
(noun) geit, GOAT, Grootste Aller Tijden
Voorbeeld:
The farmer led the goat back to its pen.
De boer leidde de geit terug naar zijn hok.
/ˈflaʊ.ɚ/
(noun) bloem;
(verb) bloeien
Voorbeeld:
The garden is full of beautiful flowers.
De tuin staat vol met prachtige bloemen.
/ɡræs/
(noun) gras, wiet, marihuana;
(verb) verlinken, klikken
Voorbeeld:
The sheep were grazing on the fresh grass.
De schapen graasden op het verse gras.
/triː/
(noun) boom, diagram;
(verb) de boom injagen, opjagen
Voorbeeld:
The old oak tree stood tall in the forest.
De oude eikenboom stond hoog in het bos.