Vocabulaireverzameling Eenheid 5: Bij de fish-and-chipszaak in Groep 1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Eenheid 5: Bij de fish-and-chipszaak' in 'Groep 1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren /ˈtʃɪk.ɪn/
(noun) kip, lafaard, bangebroek;
(verb) terugtrekken, laf zijn;
(adjective) laf, bang
Voorbeeld:
She bought a whole chicken for dinner.
Ze kocht een hele kip voor het avondeten.
/tʃɪps/
(noun) patat, friet, chips;
(verb) afbreken, afbladderen
Voorbeeld:
Do you want some fish and chips for dinner?
Wil je vis en patat voor het avondeten?
/fɪʃ/
(noun) vis;
(verb) vissen, vissen naar, uitvragen
Voorbeeld:
We caught a big fish in the lake.
We vingen een grote vis in het meer.
/mɪlk/
(noun) melk;
(verb) melken, uitmelken, uitbuiten
Voorbeeld:
She poured some milk into her coffee.
Ze schonk wat melk in haar koffie.
/laɪk/
(preposition) zoals, gelijk aan, bijvoorbeeld;
(verb) leuk vinden, houden van, willen;
(conjunction) als, zoals;
(adverb) zei, was van mening;
(interjection) zoiets als, was van mening;
(noun) gelijke, soortgelijke
Voorbeeld:
She looks just like her mother.
Ze lijkt precies op haar moeder.
/ˈɔːr.dɚ/
(noun) bevel, opdracht, volgorde;
(verb) bevelen, opdragen, bestellen
Voorbeeld:
The general gave the order to advance.
De generaal gaf het bevel om op te rukken.
/peɪ/
(verb) betalen, vergoeden, boeten;
(noun) salaris, loon
Voorbeeld:
I need to pay the rent by tomorrow.
Ik moet de huur morgen betalen.