Vocabulaireverzameling Eenheid 4: In de slaapkamer in Groep 1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Eenheid 4: In de slaapkamer' in 'Groep 1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren /desk/
(noun) bureau, schrijftafel, balie
Voorbeeld:
She sat down at her desk and started working.
Ze ging aan haar bureau zitten en begon te werken.
/dɑːɡ/
(noun) hond, rotzak, smeerlap;
(verb) achtervolgen, volgen
Voorbeeld:
My neighbor's dog barks loudly every morning.
De hond van mijn buurman blaft elke ochtend luid.
/dʌk/
(noun) eend;
(verb) duiken, ontwijken
Voorbeeld:
The duck swam gracefully across the pond.
De eend zwom gracieus over de vijver.
/ˈbed.ruːm/
(noun) slaapkamer
Voorbeeld:
My bedroom has a large window overlooking the garden.
Mijn slaapkamer heeft een groot raam met uitzicht op de tuin.
/ˈwɪn.doʊ/
(noun) raam, venster, tijdvenster;
(verb) van ramen voorzien, ramen plaatsen
Voorbeeld:
She looked out the window at the rain.
Ze keek uit het raam naar de regen.
/ˈmɪr.ɚ/
(noun) spiegel, weerspiegeling;
(verb) spiegelen, weerspiegelen
Voorbeeld:
She looked at herself in the mirror.
Ze keek naar zichzelf in de spiegel.
/ɪt/
(pronoun) het, dat;
(noun) het, de situatie
Voorbeeld:
Look at that car; it's brand new.
Kijk naar die auto; hij is gloednieuw.