Vocabulaireverzameling Eenheid 1: Op het schoolplein in Groep 1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Eenheid 1: Op het schoolplein' in 'Groep 1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren /bɑːl/
(noun) bal, dansfeest;
(verb) ballen, opballen
Voorbeeld:
The children were playing with a red ball in the park.
De kinderen speelden met een rode bal in het park.
/baɪk/
(noun) fiets, motor, motorfiets;
(verb) fietsen, motorrijden
Voorbeeld:
I ride my bike to work every day.
Ik fiets elke dag met mijn fiets naar mijn werk.
/bʊk/
(noun) boek, register;
(verb) boeken, reserveren, registreren
Voorbeeld:
I'm reading a fascinating book about ancient history.
Ik lees een fascinerend boek over oude geschiedenis.
/skuːl/
(noun) school, schooltijd, les;
(verb) onderwijzen, scholen
Voorbeeld:
My daughter starts school next year.
Mijn dochter begint volgend jaar met school.
/baɪ/
(exclamation) dag, doei;
(noun) bye, vrijstelling
Voorbeeld:
See you later, bye!
Tot ziens, dag!
/haɪ/
(interjection) hoi, hallo
Voorbeeld:
Hi, how are you doing today?
Hoi, hoe gaat het vandaag?
/heˈloʊ/
(interjection) hallo, hé;
(noun) hallo, groet;
(verb) groeten, hallo zeggen
Voorbeeld:
Hello, how are you today?
Hallo, hoe gaat het vandaag met je?
/pleɪ/
(verb) spelen, uitvoeren, afspelen;
(noun) toneelstuk, spel, recreatie
Voorbeeld:
The children are playing in the park.
De kinderen zijn aan het spelen in het park.