Avatar of Vocabulary Set Kleding en Mode

Vocabulaireverzameling Kleding en Mode in Niveau C2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Kleding en Mode' in 'Niveau C2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

haute couture

/ˌoʊt kuːˈtʊr/

(noun) haute couture, hogere mode

Voorbeeld:

The fashion show featured the latest haute couture designs.
De modeshow toonde de nieuwste haute couture ontwerpen.

loafer

/ˈloʊ.fɚ/

(noun) luilak, lanterfanter, instapper

Voorbeeld:

He's been a loafer ever since he lost his job.
Hij is een luilak geweest sinds hij zijn baan verloor.

kaftan

/ˈkæf.tæn/

(noun) kaftan

Voorbeeld:

She wore a beautiful silk kaftan to the beach party.
Ze droeg een prachtige zijden kaftan naar het strandfeest.

brocade

/brəˈkeɪd/

(noun) brokaat;

(verb) brokateren, weven met patroon

Voorbeeld:

The queen wore a gown of exquisite gold brocade.
De koningin droeg een japon van prachtige gouden brokaat.

haberdashery

/ˌhæb.ɚˈdæʃ.ɚ.i/

(noun) herenmodezaak, fourniturenzaak, fournituren

Voorbeeld:

He bought a new tie at the local haberdashery.
Hij kocht een nieuwe stropdas bij de plaatselijke herenmodezaak.

jacquard

/dʒəˈkɑːrd/

(noun) jacquard, jacquardstof

Voorbeeld:

The sofa was upholstered in a rich jacquard fabric.
De bank was bekleed met een rijke jacquard stof.

peplum

/ˈpep.ləm/

(noun) peplum, schootje

Voorbeeld:

The dress featured a delicate lace bodice and a flowing peplum.
De jurk had een delicaat kanten lijfje en een zwierige peplum.

yoke

/joʊk/

(noun) juk, verbinding, band;

(verb) jukken, spannen, verbinden

Voorbeeld:

The farmer put the yoke on the oxen.
De boer legde het juk op de ossen.

paisley

/ˈpeɪz.li/

(noun) paisley, paisleypatroon;

(adjective) paisley, met paisleypatroon

Voorbeeld:

She wore a silk scarf with a beautiful paisley pattern.
Ze droeg een zijden sjaal met een prachtig paisleypatroon.

wimple

/ˈwɪm.pəl/

(noun) wimpel, nonnenkap;

(verb) golven, wimpelen

Voorbeeld:

The nun wore a traditional habit with a white wimple.
De non droeg een traditioneel habijt met een witte wimpel.

taffeta

/ˈtæf.ɪ.t̬ə/

(noun) taffeta, taft

Voorbeeld:

The ball gown was made of shimmering pink taffeta.
De galajurk was gemaakt van glimmende roze taffeta.

raiment

/ˈreɪ.mənt/

(noun) kleding, gewaad

Voorbeeld:

The king was dressed in splendid raiment.
De koning was gekleed in prachtige kleding.

modiste

/moʊˈdiːst/

(noun) modiste, modeontwerpster

Voorbeeld:

The bride visited a renowned modiste to have her wedding gown custom-made.
De bruid bezocht een gerenommeerde modiste om haar trouwjurk op maat te laten maken.

reticule

/ˈret̬.ɪ.kjuːl/

(noun) reticule, handtasje

Voorbeeld:

She carried a delicate embroidered reticule to the ball.
Ze droeg een delicate geborduurde reticule naar het bal.

millinery

/ˈmɪl.ə.ner.i/

(noun) modisterij, hoedenmakerij, dameshoeden

Voorbeeld:

She studied millinery in Paris for two years.
Ze studeerde twee jaar modisterij in Parijs.

filigree

/ˈfɪl.ə.ɡriː/

(noun) filigraan, draadwerk;

(verb) filigraneren, met filigraan versieren

Voorbeeld:

The antique locket was adorned with intricate filigree.
Het antieke medaillon was versierd met ingewikkeld filigraan.

panache

/pəˈnæʃ/

(noun) panache, flair, elan

Voorbeeld:

The conductor led the orchestra with great panache.
De dirigent leidde het orkest met grote panache.

crinoline

/ˈkrɪn.əl.ɪn/

(noun) crinoline, hoepelrok

Voorbeeld:

The bride's gown was supported by a voluminous crinoline.
De japon van de bruid werd ondersteund door een volumineuze crinoline.

bespoke

/bɪˈspoʊk/

(adjective) op maat gemaakt, maatwerk;

(verb) op maat maken, aanpassen

Voorbeeld:

He ordered a bespoke suit for the wedding.
Hij bestelde een op maat gemaakt pak voor de bruiloft.

sartorial

/sɑːrˈtɔːr.i.əl/

(adjective) kleed, kleding, mode

Voorbeeld:

He has impeccable sartorial taste.
Hij heeft een onberispelijke kleedstijl.

quilted

/ˈkwɪl.t̬ɪd/

(adjective) gewatteerd, gestikt

Voorbeeld:

She wore a warm quilted jacket.
Ze droeg een warme gewatteerde jas.

ruched

/ruːʃt/

(adjective) gerimpeld, geplooid

Voorbeeld:

The dress had a beautifully ruched bodice.
De jurk had een prachtig gerimpeld lijfje.

dapper

/ˈdæp.ɚ/

(adjective) netjes, elegant

Voorbeeld:

He looked very dapper in his new suit.
Hij zag er erg netjes uit in zijn nieuwe pak.

de rigueur

/də rɪˈɡɜː/

(adjective) de rigueur, verplicht

Voorbeeld:

For a formal dinner, a tie is de rigueur.
Voor een formeel diner is een stropdas de rigueur.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland