Betekenis van het woord has in het Nederlands

Wat betekent has in het Engels? Ontdek de betekenis, uitspraak en specifiek gebruik van dit woord met Lingoland

has

US /hæz/
UK /hæz/

Hulpwerkwoord

heeft

used with a past participle to form the present perfect tense

Voorbeeld:
She has finished her homework.
Ze heeft haar huiswerk afgemaakt.
He has lived here for five years.
Hij woont hier al vijf jaar.

Werkwoord

1.

heeft, bezit

possess, own, or hold

Voorbeeld:
She has a new car.
Ze heeft een nieuwe auto.
He has a lot of experience.
Hij heeft veel ervaring.
2.

heeft, ervaart

experience or undergo (something)

Voorbeeld:
She has a cold.
Ze heeft verkoudheid.
He has a good time at the party.
Hij heeft een leuke tijd op het feest.
3.

laat, zorgt ervoor dat

cause to be done

Voorbeeld:
She has her hair cut every month.
Ze laat haar haar elke maand knippen.
He has his car washed regularly.
Hij laat zijn auto regelmatig wassen.