Betekenis van het woord airtime in het Nederlands

Wat betekent airtime in het Engels? Ontdek de betekenis, uitspraak en specifiek gebruik van dit woord met Lingoland

airtime

US /ˈer.taɪm/
UK /ˈeə.taɪm/
"airtime" picture

Zelfstandig Naamwoord

1.

zendtijd, uitzendtijd

the amount of time that a broadcast or advertisement is on the air

Voorbeeld:
The politician was given free airtime to discuss his policies.
De politicus kreeg gratis zendtijd om zijn beleid te bespreken.
Advertisers pay a lot for prime-time airtime.
Adverteerders betalen veel voor zendtijd in primetime.
2.

beltegoed, telefoonkrediet

the amount of time that a mobile phone can be used, paid for in advance

Voorbeeld:
I need to top up my airtime before making a call.
Ik moet mijn beltegoed opwaarderen voordat ik kan bellen.
She ran out of airtime in the middle of the conversation.
Ze had geen beltegoed meer midden in het gesprek.