Avatar of Vocabulary Set Basis 2

Vocabulaireverzameling Basis 2 in Dag 25 - Autorijden: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Basis 2' in 'Dag 25 - Autorijden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

bus stop

/ˈbʌs stɑːp/

(noun) bushalte

Voorbeeld:

I'll meet you at the bus stop.
Ik ontmoet je bij de bushalte.

busy street

/ˈbɪz.i striːt/

(noun) drukke straat, levendige straat

Voorbeeld:

It's hard to find parking on a busy street.
Het is moeilijk om te parkeren in een drukke straat.

cab

/kæb/

(noun) taxi, cabine, bestuurderscabine

Voorbeeld:

I'll call a cab for you.
Ik bel een taxi voor je.

car rental

/kɑːr ˈren.t̬əl/

(noun) autoverhuur, autohuur

Voorbeeld:

We need to find a car rental agency at the airport.
We moeten een autoverhuurbedrijf vinden op de luchthaven.

crosswalk

/ˈkrɑːs.wɑːk/

(noun) zebrapad, voetgangersoversteekplaats

Voorbeeld:

Always look both ways before crossing the crosswalk.
Kijk altijd beide kanten op voordat je het zebrapad oversteekt.

free parking

/friː ˈpɑːrkɪŋ/

(noun) gratis parkeren, gratis parkeergelegenheid

Voorbeeld:

The hotel offers free parking for all its guests.
Het hotel biedt gratis parkeergelegenheid voor al zijn gasten.

gas station

/ˈɡæs ˌsteɪ.ʃən/

(noun) tankstation, benzinestation

Voorbeeld:

We need to stop at the next gas station to fill up the tank.
We moeten stoppen bij het volgende tankstation om de tank vol te gooien.

get off

/ɡet ˈɔːf/

(phrasal verb) uitstappen, afstappen, vrij krijgen

Voorbeeld:

I need to get off at the next stop.
Ik moet bij de volgende halte uitstappen.

hang

/hæŋ/

(verb) hangen, ophangen, verhangen;

(noun) val, ophanging

Voorbeeld:

She decided to hang the painting in the living room.
Ze besloot het schilderij in de woonkamer op te hangen.

heavy traffic

/ˈhɛv.i ˈtræf.ɪk/

(collocation) zwaar verkeer, druk verkeer

Voorbeeld:

We were stuck in heavy traffic for two hours on the way to the airport.
We zaten twee uur vast in zwaar verkeer op weg naar de luchthaven.

highway

/ˈhaɪ.weɪ/

(noun) snelweg, autoweg

Voorbeeld:

The new highway will reduce travel time between the two cities.
De nieuwe snelweg zal de reistijd tussen de twee steden verkorten.

on foot

/ɑn fʊt/

(idiom) te voet

Voorbeeld:

We decided to explore the city on foot.
We besloten de stad te voet te verkennen.

park

/pɑːrk/

(noun) park, reservaat;

(verb) parkeren

Voorbeeld:

Let's go for a walk in the park.
Laten we een wandeling maken in het park.

path

/pæθ/

(noun) pad, weg, koers;

(verb) een pad banen, een weg creëren

Voorbeeld:

We followed the narrow path through the woods.
We volgden het smalle pad door het bos.

subway station

/ˈsʌb.weɪ ˌsteɪ.ʃən/

(noun) metrostation, ondergronds station

Voorbeeld:

We met at the subway station entrance.
We ontmoetten elkaar bij de ingang van het metrostation.

tour bus

/tʊr bʌs/

(noun) tourbus, reisbus

Voorbeeld:

We boarded the tour bus to see the historic landmarks of the city.
We stapten in de tourbus om de historische bezienswaardigheden van de stad te bekijken.

traffic light

/ˈtræf.ɪk ˌlaɪt/

(noun) verkeerslicht, stoplicht

Voorbeeld:

The car stopped at the traffic light.
De auto stopte bij het verkeerslicht.

wall

/wɑːl/

(noun) muur, wand;

(verb) ommuuren, afsluiten met een muur

Voorbeeld:

The garden is surrounded by a high brick wall.
De tuin is omgeven door een hoge bakstenen muur.

wash the car

/wɑːʃ ðə kɑːr/

(phrase) de auto wassen

Voorbeeld:

I usually wash the car on Saturday mornings.
Ik was de auto meestal op zaterdagochtend.

wheel

/wiːl/

(noun) wiel, stuur, stuurwiel;

(verb) rijden, duwen, cirkelen

Voorbeeld:

The car has four wheels.
De auto heeft vier wielen.

access to

/ˈæk.ses tuː/

(phrase) toegang tot, mogelijkheid tot toegang tot

Voorbeeld:

Everyone should have equal access to education.
Iedereen zou gelijke toegang moeten hebben tot onderwijs.

cite

/saɪt/

(verb) citeren, aanhalen, noemen

Voorbeeld:

He cited several sources in his research paper.
Hij citeerde verschillende bronnen in zijn onderzoekspaper.

hood

/hʊd/

(noun) capuchon, motorkap, buurt

Voorbeeld:

She pulled her hood up to protect herself from the rain.
Ze trok haar capuchon op om zich tegen de regen te beschermen.

inside

/ˈɪn.saɪd/

(noun) binnenkant, interieur;

(adverb) binnen, binnenin;

(adjective) binnenste, intern;

(preposition) binnenin, in

Voorbeeld:

The inside of the box was empty.
De binnenkant van de doos was leeg.

route

/ruːt/

(noun) route, weg;

(verb) routeren, leiden

Voorbeeld:

What's the best route to the airport?
Wat is de beste route naar de luchthaven?

sharp

/ʃɑːrp/

(adjective) scherp, intens, intelligent;

(adverb) stipt, scherp;

(noun) kruis

Voorbeeld:

Be careful, that knife is very sharp.
Wees voorzichtig, dat mes is erg scherp.

solve

/sɑːlv/

(verb) oplossen

Voorbeeld:

We need to solve this problem quickly.
We moeten dit probleem snel oplossen.

stand

/stænd/

(verb) staan, plaatsen, zetten;

(noun) standaard, rek, standpunt

Voorbeeld:

Please stand when the judge enters.
Gelieve te staan wanneer de rechter binnenkomt.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland