Avatar of Vocabulary Set Basis 2

Vocabulaireverzameling Basis 2 in Dag 3 - Office Masters: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Basis 2' in 'Dag 3 - Office Masters' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

a sheet of

/ə ʃiːt ʌv/

(phrase) een vel, een blad, een laag

Voorbeeld:

He handed me a sheet of paper to write on.
Hij gaf me een vel papier om op te schrijven.

business card

/ˈbɪz.nɪs ˌkɑːrd/

(noun) visitekaartje

Voorbeeld:

Don't forget to bring your business cards to the networking event.
Vergeet je visitekaartjes niet mee te nemen naar het netwerkevenement.

cartridge

/ˈkɑːr.trɪdʒ/

daily

/ˈdeɪ.li/

(adjective) dagelijks;

(adverb) dagelijks, elke dag;

(noun) dagblad, dagelijkse krant

Voorbeeld:

She reads the daily newspaper.
Ze leest de dagelijkse krant.

edit

/ˈed.ɪt/

(verb) bewerken, redigeren, monteren;

(noun) bewerking, correctie

Voorbeeld:

Please edit this report before you submit it.
Gelieve dit rapport te bewerken voordat u het indient.

hand

/hænd/

(noun) hand, handschrift, wijzer;

(verb) overhandigen, aanreiken

Voorbeeld:

She waved her hand to say goodbye.
Ze zwaaide met haar hand om gedag te zeggen.

in order to

/ɪn ˈɔːr.dər tuː/

(phrase) om, teneinde

Voorbeeld:

He works hard in order to support his family.
Hij werkt hard om zijn gezin te onderhouden.

laptop

/ˈlæp.tɑːp/

(noun) laptop, draagbare computer

Voorbeeld:

I bought a new laptop for work.
Ik heb een nieuwe laptop gekocht voor mijn werk.

name tag

/ˈneɪm tæɡ/

(noun) naambadge, naambordje

Voorbeeld:

All employees are required to wear a name tag.
Alle medewerkers zijn verplicht een naambadge te dragen.

on vacation

/ɑːn veɪˈkeɪ.ʃən/

(phrase) op vakantie

Voorbeeld:

She is currently on vacation in Hawaii.
Ze is momenteel op vakantie in Hawaï.

paper jam

/ˈpeɪ.pər dʒæm/

(noun) papierstoring, papieropstopping

Voorbeeld:

I can't print anything because there's a paper jam.
Ik kan niets afdrukken omdat er een papierstoring is.

paperwork

/ˈpeɪ.pɚ.wɝːk/

(noun) papierwerk, documenten

Voorbeeld:

There's a lot of paperwork involved in buying a house.
Er komt veel papierwerk kijken bij het kopen van een huis.

partition

/pɑːrˈtɪʃ.ən/

(noun) verdeling, scheiding, scheidingswand;

(verb) verdelen, scheiden

Voorbeeld:

The partition of the country led to widespread conflict.
De verdeling van het land leidde tot wijdverspreid conflict.

rush hour

/ˈrʌʃ ˌaʊər/

(noun) spitsuur, spits

Voorbeeld:

Try to avoid driving during rush hour if you can.
Probeer tijdens de spits niet te rijden als je kunt.

section

/ˈsek.ʃən/

(noun) sectie, gedeelte, afdeling;

(verb) verdelen, indelen

Voorbeeld:

The book has a large section on local history.
Het boek heeft een grote sectie over lokale geschiedenis.

sheet

/ʃiːt/

(noun) laken, beddenlaken, blad;

(verb) bedekken, bekleden

Voorbeeld:

I need to change the bed sheets today.
Ik moet vandaag de beddenlakens verschonen.

tabletop

/ˈteɪ.bəl.tɒp/

(noun) tafelblad;

(adjective) tafel-, tabletop

Voorbeeld:

She wiped the dust off the tabletop.
Ze veegde het stof van het tafelblad.

telephone call

/ˈtel.ə.foʊn kɑːl/

(noun) telefoongesprek, telefoontje

Voorbeeld:

I need to make a quick telephone call to my office.
Ik moet even een kort telefoontje plegen naar mijn kantoor.

trash bin

/ˈtræʃ bɪn/

(noun) prullenbak, afvalbak

Voorbeeld:

Please empty the trash bin when it's full.
Gelieve de prullenbak te legen wanneer deze vol is.

upstairs

/ʌpˈsterz/

(adverb) boven, naar boven;

(adjective) bovenste, bovenverdieping;

(noun) bovenverdieping

Voorbeeld:

She went upstairs to get a book.
Ze ging naar boven om een boek te halen.

as if

/æz ɪf/

(conjunction) alsof;

(interjection) alsof, echt niet

Voorbeeld:

He acts as if he knows everything.
Hij doet alsof hij alles weet.

as well as

/æz wɛl æz/

(phrase) evenals, alsook

Voorbeeld:

She is a talented singer as well as a gifted dancer.
Ze is een getalenteerde zangeres en ook een begaafde danseres.

be aware of

/bi əˈwer əv/

(phrase) op de hoogte zijn van, zich bewust zijn van

Voorbeeld:

You should be aware of the risks involved.
Je moet op de hoogte zijn van de risico's.

be known as

/bi noʊn æz/

(phrase) bekend staan als, bekend zijn als

Voorbeeld:

He used to be known as 'The Rocket' for his speed on the field.
Hij stond vroeger bekend als 'The Rocket' vanwege zijn snelheid op het veld.

be likely to

/bi ˈlaɪkli tu/

(phrase) waarschijnlijk, zal waarschijnlijk

Voorbeeld:

It's likely to rain later today.
Het zal waarschijnlijk later vandaag regenen.

detail

/dɪˈteɪl/

(noun) detail, onderdeel;

(verb) gedetailleerd beschrijven, specificeren

Voorbeeld:

The artist paid great attention to every detail in the painting.
De kunstenaar besteedde veel aandacht aan elk detail in het schilderij.

offering

/ˈɑː.fɚ.ɪŋ/

(noun) offergave, bijdrage, aanbod

Voorbeeld:

The church received a generous offering from the community.
De kerk ontving een genereuze bijdrage van de gemeenschap.

on one's own

/ɒn wʌnz oʊn/

(idiom) alleen, zelfstandig, op zichzelf

Voorbeeld:

She built the entire house on her own.
Ze bouwde het hele huis helemaal alleen.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland