Avatar of Vocabulary Set Winkelen

Vocabulaireverzameling Winkelen in Algemene IELTS-woordenschat (band 8-9): Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Winkelen' in 'Algemene IELTS-woordenschat (band 8-9)' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

futures contract

/ˈfjuːtʃərz ˌkɑːntrækt/

(noun) termijncontract, futurescontract

Voorbeeld:

He invested in a futures contract for crude oil, hoping its price would rise.
Hij investeerde in een termijncontract voor ruwe olie, in de hoop dat de prijs zou stijgen.

merchant

/ˈmɝː.tʃənt/

(noun) koopman, handelaar

Voorbeeld:

The silk merchant traveled extensively to source the finest fabrics.
De zijdehandelaar reisde uitgebreid om de fijnste stoffen te vinden.

markup

/ˈmɑːrk.ʌp/

(noun) marge, opslag, opmaak;

(verb) opmaken, markeren

Voorbeeld:

The store applies a 20% markup on all imported items.
De winkel hanteert een 20% marge op alle geïmporteerde artikelen.

BOGOF

/ˈbɑːɡɑːf/

(abbreviation) koop er één, krijg er één gratis

Voorbeeld:

The supermarket had a great BOGOF offer on pizzas this week.
De supermarkt had deze week een geweldige BOGOF-aanbieding op pizza's.

knockoff

/ˈnɑkˌɔf/

(noun) namaak, imitatie;

(verb) namaak maken, imiteren

Voorbeeld:

She bought a designer bag that turned out to be a cheap knockoff.
Ze kocht een designertas die een goedkope namaak bleek te zijn.

loyalty card

/ˈlɔɪ.əl.ti ˌkɑːrd/

(noun) klantenkaart, bonuskaart

Voorbeeld:

Do you have a loyalty card for this store?
Heeft u een klantenkaart voor deze winkel?

layaway

/ˈleɪ.ə.weɪ/

(noun) afbetaling, uitgestelde betaling

Voorbeeld:

She bought the new television on layaway.
Ze kocht de nieuwe televisie op afbetaling.

token

/ˈtoʊ.kən/

(noun) teken, symbool, muntje;

(adjective) symbolisch, tekenend

Voorbeeld:

This gift is a token of my appreciation.
Dit geschenk is een teken van mijn waardering.

best-before date

/ˌbest bɪˈfɔːr deɪt/

(noun) ten minste houdbaar tot-datum, THT-datum

Voorbeeld:

Always check the best-before date on dairy products.
Controleer altijd de ten minste houdbaar tot-datum op zuivelproducten.

cash and carry

/ˌkæʃ ən ˈkæri/

(noun) cash-and-carry, zelfbedieningsgroothandel

Voorbeeld:

The restaurant buys its supplies from a cash and carry.
Het restaurant koopt zijn benodigdheden bij een cash-and-carry.

click and collect

/klɪk ən kəˈlekt/

(phrase) click and collect, online bestellen en afhalen

Voorbeeld:

Many retailers now offer click and collect services.
Veel retailers bieden nu click and collect-diensten aan.

retailer

/ˈriː.teɪ.lɚ/

(noun) retailer, detailhandelaar

Voorbeeld:

The new clothing brand is partnering with several online retailers.
Het nieuwe kledingmerk werkt samen met verschillende online retailers.

outspend

/ˌaʊtˈspend/

(verb) meer uitgeven dan, overtreffen in uitgaven

Voorbeeld:

The larger company can easily outspend its smaller competitors.
Het grotere bedrijf kan gemakkelijk zijn kleinere concurrenten overtreffen in uitgaven.

undercut

/ˌʌn.dɚˈkʌt/

(verb) onderbieden, ondergraven, ondermijnen;

(noun) undercut, opgeschoren kapsel

Voorbeeld:

Large supermarkets can undercut small local shops.
Grote supermarkten kunnen kleine lokale winkels onderbieden.

splurge

/splɝːdʒ/

(verb) uitgeven, verkwisten;

(noun) uitspatting, verkwisting

Voorbeeld:

I decided to splurge on a new designer handbag.
Ik besloot te uitgeven aan een nieuwe designer handtas.

haggle

/ˈhæɡ.əl/

(verb) afdingen, onderhandelen;

(noun) onderhandeling, afdingen

Voorbeeld:

She spent an hour haggling over the price of a rug.
Ze bracht een uur door met afdingen over de prijs van een tapijt.

outbid

/ˌaʊtˈbɪd/

(verb) overbieden

Voorbeeld:

He outbid me by a thousand dollars for the painting.
Hij overbood me met duizend dollar voor het schilderij.

shortchange

/ˌʃɔːrtˈtʃeɪndʒ/

(verb) te weinig teruggeven, tekortdoen, benadelen

Voorbeeld:

The cashier accidentally shortchanged me by five dollars.
De caissière heeft me per ongeluk vijf dollar te weinig teruggegeven.

upsell

/ʌpˈsel/

(verb) upsellen, meer verkopen

Voorbeeld:

The salesperson tried to upsell me to the premium package.
De verkoper probeerde me te upsellen naar het premiumpakket.

back order

/ˈbæk ˌɔːr.dɚ/

(noun) nabestelling, achterstallige bestelling;

(verb) nabestellen, achterstallig bestellen

Voorbeeld:

The item you requested is currently on back order.
Het door u gevraagde artikel is momenteel in nabestelling.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland