Avatar of Vocabulary Set Sport

Vocabulaireverzameling Sport in Algemene IELTS-woordenschat (band 5): Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Sport' in 'Algemene IELTS-woordenschat (band 5)' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

athletics

/æθˈlet̬.ɪks/

(noun) atletiek, sport, atletisch vermogen

Voorbeeld:

She excels in track and field athletics.
Ze blinkt uit in baan- en veldatletiek.

diving

/ˈdaɪ.vɪŋ/

(noun) duiken, schoonspringen

Voorbeeld:

She loves diving in the clear waters of the Caribbean.
Ze houdt van duiken in het heldere water van het Caribisch gebied.

gymnastics

/dʒɪmˈnæs.tɪks/

(noun) gymnastiek

Voorbeeld:

She has been practicing gymnastics since she was five years old.
Ze beoefent gymnastiek sinds ze vijf jaar oud was.

boxing

/ˈbɑːk.sɪŋ/

(noun) boksen, inpakken, verpakken

Voorbeeld:

He trains in boxing every day.
Hij traint elke dag in boksen.

chess

/tʃes/

(noun) schaken

Voorbeeld:

He loves to play chess in his free time.
Hij speelt graag schaken in zijn vrije tijd.

skiing

/ˈskiː.ɪŋ/

(noun) skiën

Voorbeeld:

We went skiing in the Alps last winter.
We gingen vorig jaar winter skiën in de Alpen.

ice skating

/ˈaɪs ˌskeɪ.tɪŋ/

(noun) schaatsen, ijsschaatsen

Voorbeeld:

We went ice skating at the outdoor rink.
We gingen schaatsen op de buitenbaan.

horse racing

/ˈhɔːrs ˌreɪ.sɪŋ/

(noun) paardenrennen, paardenraces

Voorbeeld:

He loves going to the track to watch horse racing.
Hij houdt ervan om naar de renbaan te gaan om naar paardenraces te kijken.

football

/ˈfʊt.bɑːl/

(noun) voetbal, football, rugbybal

Voorbeeld:

He loves watching football on Sundays.
Hij kijkt graag naar voetbal op zondag.

basketball

/ˈbæs.kət.bɑːl/

(noun) basketbal

Voorbeeld:

My favorite sport to watch is basketball.
Mijn favoriete sport om naar te kijken is basketbal.

baseball

/ˈbeɪs.bɑːl/

(noun) honkbal

Voorbeeld:

My son loves to play baseball every weekend.
Mijn zoon speelt elk weekend graag honkbal.

volleyball

/ˈvɑː.li.bɑːl/

(noun) volleybal

Voorbeeld:

They played a game of volleyball on the beach.
Ze speelden een potje volleybal op het strand.

tennis

/ˈten.ɪs/

(noun) tennis

Voorbeeld:

She plays tennis every Saturday morning.
Ze speelt elke zaterdagochtend tennis.

rugby

/ˈrʌɡ.bi/

(noun) rugby

Voorbeeld:

He plays rugby for his local club.
Hij speelt rugby voor zijn plaatselijke club.

Ping-Pong

/ˈpɪŋ.pɑːŋ/

(noun) tafeltennis, pingpong

Voorbeeld:

They played a game of Ping-Pong in the recreation room.
Ze speelden een potje tafeltennis in de recreatieruimte.

cricket

/ˈkrɪk.ɪt/

(noun) cricket, krekel

Voorbeeld:

They spent the afternoon playing cricket in the park.
Ze brachten de middag door met cricket spelen in het park.

golf

/ɡɑːlf/

(noun) golf;

(verb) golfen

Voorbeeld:

He enjoys playing golf every weekend.
Hij speelt elk weekend graag golf.

bowling

/ˈboʊ.lɪŋ/

(noun) bowlen, kegelen

Voorbeeld:

We went bowling last night and had a great time.
We zijn gisteravond gaan bowlen en hebben een geweldige tijd gehad.

handball

/ˈhænd.bɑːl/

(noun) handbal, handsbal

Voorbeeld:

She plays handball for her school team.
Ze speelt handbal voor haar schoolteam.

water polo

/ˈwɑː.t̬ɚ ˌpoʊ.loʊ/

(noun) waterpolo

Voorbeeld:

She plays water polo for her university team.
Ze speelt waterpolo voor haar universiteitsteam.

billiards

/ˈbɪl.jɚdz/

(noun) biljart, biljarten

Voorbeeld:

They spent the evening playing billiards at the club.
Ze brachten de avond door met biljarten in de club.

snooker

/ˈsnuː.kɚ/

(noun) snooker;

(verb) snookeren, blokkeren, bedriegen

Voorbeeld:

He spent the evening playing snooker with his friends.
Hij bracht de avond door met snooker spelen met zijn vrienden.

pool

/puːl/

(noun) vijver, plas, zwembad;

(verb) bundelen, samenleggen

Voorbeeld:

The children played by the shallow pool.
De kinderen speelden bij de ondiepe vijver.

hockey

/ˈhɑː.ki/

(noun) ijshockey, hockey, veldhockey

Voorbeeld:

He plays hockey every winter.
Hij speelt elke winter hockey.

dodgeball

/ˈdɑːdʒ.bːɑːl/

(noun) trefbal

Voorbeeld:

We played a lively game of dodgeball during recess.
We speelden een levendig spelletje trefbal tijdens de pauze.

futsal

/ˈfʊt.sæl/

(noun) futsal, zaalvoetbal

Voorbeeld:

They play futsal every Tuesday evening at the community center.
Ze spelen elke dinsdagavond futsal in het gemeenschapscentrum.

squash

/skwɑːʃ/

(noun) squash, pompoen, courgette;

(verb) platdrukken, verpletteren

Voorbeeld:

She plays squash every Tuesday.
Ze speelt elke dinsdag squash.

racquetball

/ˈræk.ɪtˌbɑːl/

(noun) racketbal

Voorbeeld:

They played a competitive game of racquetball at the club.
Ze speelden een competitief potje racketbal in de club.

badminton

/ˈbæd.mɪn.tən/

(noun) badminton

Voorbeeld:

We played a game of badminton in the park.
We speelden een potje badminton in het park.

paddleball

/ˈpæd.əl.bɑːl/

(noun) paddleball, paddleball (speelgoed)

Voorbeeld:

They spent the afternoon playing paddleball at the park.
Ze brachten de middag door met het spelen van paddleball in het park.

skating

/ˈskeɪ.t̬ɪŋ/

(noun) schaatsen, skaten;

(verb) schaatsend, skatend

Voorbeeld:

She loves ice skating in the winter.
Ze houdt van ijsschaatsen in de winter.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland