Vocabulaireverzameling Handenarbeid in Algemene IELTS-woordenschat (band 5): Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Handenarbeid' in 'Algemene IELTS-woordenschat (band 5)' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren /ˈplʌm.ɚ/
(noun) loodgieter
Voorbeeld:
We called a plumber to fix the leaky faucet.
We belden een loodgieter om de lekkende kraan te repareren.
/ˌɪl.ekˈtrɪʃ.ən/
(noun) elektricien
Voorbeeld:
We need to call an electrician to fix the wiring.
We moeten een elektricien bellen om de bedrading te repareren.
/ˈʃep.ɚd/
(noun) herder, gids, leider;
(verb) leiden, begeleiden
Voorbeeld:
The shepherd led his flock to fresh pastures.
De herder leidde zijn kudde naar verse weiden.
/ˈfɑːr.mɚ/
(noun) boer, landbouwer
Voorbeeld:
The farmer harvested his crops early this year.
De boer oogstte zijn gewassen dit jaar vroeg.
/ˈɡɑːr.dən.ɚ/
(noun) tuinman, tuinier
Voorbeeld:
The gardener carefully pruned the rose bushes.
De tuinman snoeide zorgvuldig de rozenstruiken.
/ˈblæk.smɪθ/
(noun) smid
Voorbeeld:
The blacksmith hammered the glowing iron on the anvil.
De smid hamerde het gloeiende ijzer op het aambeeld.
/ˈfɪʃ.ɚ.mən/
(noun) visser
Voorbeeld:
The old fisherman cast his net into the sea.
De oude visser wierp zijn net in zee.
/ˈkɑːr.pɪn.t̬ɚ/
(noun) timmerman, schrijnwerker
Voorbeeld:
The carpenter built a beautiful wooden table.
De timmerman bouwde een prachtige houten tafel.
/ˈbeɪ.kɚ/
(noun) bakker
Voorbeeld:
The baker kneaded the dough early in the morning.
De bakker kneedde het deeg vroeg in de ochtend.
/ˈbʊtʃ.ɚ/
(noun) slager;
(verb) slachten, uitbenen, afslachten
Voorbeeld:
I bought fresh sausages from the local butcher.
Ik kocht verse worsten bij de plaatselijke slager.
/ˈtæk.si ˌdraɪ.vɚ/
(noun) taxichauffeur
Voorbeeld:
The taxi driver took the quickest route to the airport.
De taxichauffeur nam de snelste route naar het vliegveld.
/ˈdʒæn.ə.t̬ɚ/
(noun) conciërge, huismeester
Voorbeeld:
The janitor cleaned the school hallways every evening.
De conciërge maakte elke avond de schoolgangen schoon.
/ˈʃuːˌmeɪ.kɚ/
(noun) schoenmaker
Voorbeeld:
The old shoemaker carefully stitched the leather.
De oude schoenmaker stikte voorzichtig het leer.
/ˈteɪ.lɚ/
(noun) kleermaker;
(verb) aanpassen, op maat maken
Voorbeeld:
I need to take my suit to the tailor for alterations.
Ik moet mijn pak naar de kleermaker brengen voor aanpassingen.