Avatar of Vocabulary Set Thuis

Vocabulaireverzameling Thuis in Algemene IELTS-woordenschat (band 5): Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Thuis' in 'Algemene IELTS-woordenschat (band 5)' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

apartment

/əˈpɑːrt.mənt/

(noun) appartement, flat

Voorbeeld:

They rented a small apartment in the city center.
Ze huurden een klein appartement in het stadscentrum.

penthouse

/ˈpent.haʊs/

(noun) penthouse

Voorbeeld:

They bought a luxurious penthouse with panoramic city views.
Ze kochten een luxueuze penthouse met panoramisch uitzicht over de stad.

backyard

/ˌbækˈjɑːrd/

(noun) achtertuin, invloedssfeer

Voorbeeld:

The kids are playing in the backyard.
De kinderen spelen in de achtertuin.

homeowner

/ˈhoʊmˌoʊ.nɚ/

tenant

/ˈten.ənt/

(noun) huurder, bewoner

Voorbeeld:

The tenant signed a one-year lease agreement.
De huurder tekende een huurovereenkomst voor één jaar.

landlord

/ˈlænd.lɔːrd/

(noun) verhuurder, huisbaas, kastelein

Voorbeeld:

Our landlord increased the rent by 10%.
Onze verhuurder verhoogde de huur met 10%.

floor

/flɔːr/

(noun) vloer, verdieping;

(verb) vloeren, verbijsteren

Voorbeeld:

The wooden floor creaked as he walked across it.
De houten vloer kraakte toen hij eroverheen liep.

neighborhood

/ˈneɪ.bɚ.hʊd/

(noun) buurt, wijk, omgeving

Voorbeeld:

She grew up in a quiet neighborhood.
Ze groeide op in een rustige buurt.

cottage

/ˈkɑː.t̬ɪdʒ/

(noun) huisje, cottage

Voorbeeld:

They rented a charming cottage by the lake for their vacation.
Ze huurden een charmant huisje aan het meer voor hun vakantie.

furnish

/ˈfɝː.nɪʃ/

(verb) meubileren, inrichten, verschaffen

Voorbeeld:

They plan to furnish the new apartment with modern decor.
Ze zijn van plan het nieuwe appartement met modern decor te meubileren.

rent

/rent/

(noun) huur;

(verb) huren, verhuren

Voorbeeld:

The rent is due on the first of every month.
De huur is verschuldigd op de eerste van elke maand.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland