Avatar of Vocabulary Set Financiën en geld

Vocabulaireverzameling Financiën en geld in Algemene IELTS-woordenschat (band 5): Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Financiën en geld' in 'Algemene IELTS-woordenschat (band 5)' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

currency

/ˈkɝː.ən.si/

(noun) valuta, munteenheid, geldigheid

Voorbeeld:

The local currency is the Euro.
De lokale valuta is de Euro.

cash

/kæʃ/

(noun) contant geld, cash;

(verb) innen, contant maken

Voorbeeld:

Do you have any cash on you?
Heb je contant geld bij je?

coin

/kɔɪn/

(noun) munt;

(verb) bedenken, creëren, slaan

Voorbeeld:

He flipped a coin to decide.
Hij gooide een munt op om te beslissen.

dollar

/ˈdɑː.lɚ/

(noun) dollar

Voorbeeld:

This book costs ten dollars.
Dit boek kost tien dollar.

pound

/paʊnd/

(noun) pond, pond sterling, dierenasiel;

(verb) bonken, slaan, bonzen

Voorbeeld:

The baby weighed eight pounds at birth.
De baby woog acht pond bij de geboorte.

euro

/ˈjʊr.oʊ/

(noun) euro

Voorbeeld:

The price of the book is 25 euros.
De prijs van het boek is 25 euro.

cent

/sent/

(noun) cent

Voorbeeld:

I found a shiny new cent on the sidewalk.
Ik vond een glimmende nieuwe cent op de stoep.

penny

/ˈpen.i/

(noun) penny, cent

Voorbeeld:

I found a penny on the sidewalk.
Ik vond een penny op de stoep.

credit

/ˈkred.ɪt/

(noun) krediet, credit, tegoed;

(verb) crediteren, bijschrijven, toeschrijven

Voorbeeld:

Can I buy this on credit?
Kan ik dit op krediet kopen?

credit card

/ˈkred.ɪt ˌkɑːrd/

(noun) creditcard

Voorbeeld:

I paid for the groceries with my credit card.
Ik betaalde de boodschappen met mijn creditcard.

deposit

/dɪˈpɑː.zɪt/

(noun) storting, deposito, aanbetaling;

(verb) deponeren, neerleggen, afzetten

Voorbeeld:

I made a large deposit into my savings account.
Ik heb een grote storting gedaan op mijn spaarrekening.

wallet

/ˈwɑː.lɪt/

(noun) portemonnee, beurs

Voorbeeld:

He pulled out his wallet to pay for the coffee.
Hij haalde zijn portemonnee tevoorschijn om de koffie te betalen.

check

/tʃek/

(verb) controleren, nakijken, stoppen;

(noun) controle, stop, ruit

Voorbeeld:

Please check your answers carefully.
Controleer uw antwoorden zorgvuldig.

wealth

/welθ/

(noun) rijkdom, welvaart, overvloed

Voorbeeld:

He accumulated great wealth through his investments.
Hij vergaarde grote rijkdom door zijn investeringen.

automated teller machine

/ˌɑː.t̬ə.meɪ.t̬ɪd ˈtel.ɚ məˌʃiːn/

(noun) geldautomaat, pinautomaat

Voorbeeld:

I need to find an automated teller machine to withdraw some cash.
Ik moet een geldautomaat vinden om wat contant geld op te nemen.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland