Avatar of Vocabulary Set Scheikunde

Vocabulaireverzameling Scheikunde in IELTS Academische Woordenschat (Band 5): Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Scheikunde' in 'IELTS Academische Woordenschat (Band 5)' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

atom

/ˈæt̬.əm/

(noun) atoom, spoortje, kleinste beetje

Voorbeeld:

Water is made up of hydrogen and oxygen atoms.
Water bestaat uit waterstof- en zuurstofatomen.

molecule

/ˈmɑː.lɪ.kjuːl/

(noun) molecuul

Voorbeeld:

A water molecule consists of two hydrogen atoms and one oxygen atom.
Een watermolecuul bestaat uit twee waterstofatomen en één zuurstofatoom.

element

/ˈel.ə.mənt/

(noun) element, onderdeel, scheikundig element

Voorbeeld:

Trust is a key element in any relationship.
Vertrouwen is een belangrijk element in elke relatie.

ion

/ˈaɪ.ɑːn/

(noun) ion

Voorbeeld:

Sodium chloride dissolves in water to form sodium ions and chloride ions.
Natriumchloride lost op in water en vormt natriumionen en chlorideionen.

reaction

/riˈæk.ʃən/

(noun) reactie, respons, chemische reactie

Voorbeeld:

His immediate reaction was to call for help.
Zijn onmiddellijke reactie was om hulp te roepen.

mixture

/ˈmɪks.tʃɚ/

(noun) mengsel, mix, mengeling

Voorbeeld:

The cake batter is a mixture of flour, sugar, and eggs.
Het cakedeeg is een mengsel van bloem, suiker en eieren.

acid

/ˈæs.ɪd/

(noun) zuur;

(adjective) zuur

Voorbeeld:

Sulfuric acid is a strong corrosive substance.
Zwavelzuur is een sterk corrosieve stof.

base

/beɪs/

(noun) basis, voetstuk, grondslag;

(verb) baseren, gronden;

(adjective) laag, gemeen

Voorbeeld:

The statue stood on a marble base.
Het standbeeld stond op een marmeren voetstuk.

gas

/ɡæs/

(noun) gas, benzine, brandstof;

(verb) gas geven, tanken

Voorbeeld:

Natural gas is used for heating homes.
Aardgas wordt gebruikt voor het verwarmen van huizen.

liquid

/ˈlɪk.wɪd/

(noun) vloeistof;

(adjective) vloeibaar, liquide, contant

Voorbeeld:

Water is a clear liquid.
Water is een heldere vloeistof.

solid

/ˈsɑː.lɪd/

(adjective) vast, massief, solide;

(noun) vaste stof, vaste delen;

(adverb) effen, stevig

Voorbeeld:

The ice was solid enough to walk on.
Het ijs was stevig genoeg om op te lopen.

transition

/trænˈzɪʃ.ən/

(noun) overgang, transitie;

(verb) overgaan, overstappen

Voorbeeld:

The company is undergoing a major transition to new management.
Het bedrijf ondergaat een grote overgang naar nieuw management.

pH

/ˌpiːˈeɪtʃ/

(noun) pH-waarde, zuurgraad

Voorbeeld:

The ideal pH for swimming pool water is between 7.4 and 7.6.
De ideale pH voor zwembadwater ligt tussen 7.4 en 7.6.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland