Avatar of Vocabulary Set Bijwoorden van plaats

Vocabulaireverzameling Bijwoorden van plaats in IELTS Academische Woordenschat (Band 5): Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Bijwoorden van plaats' in 'IELTS Academische Woordenschat (Band 5)' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

here

/hɪr/

(adverb) hier, daar;

(exclamation) hier, alsjeblieft

Voorbeeld:

Come here and sit down.
Kom hier en ga zitten.

there

/ðer/

(adverb) daar, erheen, er;

(pronoun) daar, die plaats;

(interjection) er, daar

Voorbeeld:

The book is over there on the shelf.
Het boek ligt daar op de plank.

everywhere

/ˈev.ri.wer/

(adverb) overal

Voorbeeld:

I looked for my keys everywhere.
Ik zocht overal naar mijn sleutels.

somewhere

/ˈsʌm.wer/

(adverb) ergens, ongeveer, rond

Voorbeeld:

I left my keys somewhere in the house.
Ik heb mijn sleutels ergens in huis laten liggen.

anywhere

/ˈen.i.wer/

(adverb) ergens, nergens

Voorbeeld:

Can we go anywhere quiet?
Kunnen we ergens rustig heen?

elsewhere

/ˈels.wer/

(adverb) elders, ergens anders

Voorbeeld:

Maybe we should look elsewhere for a solution.
Misschien moeten we elders naar een oplossing zoeken.

above

/əˈbʌv/

(preposition) boven, meer dan, verheven boven;

(adverb) boven, omhoog, hoger;

(adjective) hierboven, bovengenoemd;

(noun) het bovengenoemde, het voorgaande

Voorbeeld:

The birds flew above the clouds.
De vogels vlogen boven de wolken.

below

/bɪˈloʊ/

(preposition) onder, hieronder, onderaan;

(adverb) beneden, onder

Voorbeeld:

The sun disappeared below the horizon.
De zon verdween onder de horizon.

over

/ˈoʊ.vɚ/

(preposition) over, boven, aan de andere kant van;

(adverb) voorbij, afgelopen, om;

(adjective) voorbij, afgelopen

Voorbeeld:

The plane flew over the city.
Het vliegtuig vloog over de stad.

under

/ˈʌn.dɚ/

(preposition) onder, minder dan;

(adverb) onder, naar beneden;

(adjective) ondergeschikt, minderwaardig

Voorbeeld:

The cat is hiding under the bed.
De kat verstopt zich onder het bed.

behind

/bɪˈhaɪnd/

(preposition) achter, steunen;

(adverb) achter, te laat;

(adjective) achter, minder succesvol

Voorbeeld:

The dog was hiding behind the couch.
De hond verstopte zich achter de bank.

ahead

/əˈhed/

(adverb) vooruit, voorop, in de toekomst

Voorbeeld:

The road ahead was clear.
De weg vooruit was vrij.

outside

/ˌaʊtˈsaɪd/

(noun) buitenkant, buiten;

(adjective) buiten-, extern;

(adverb) buiten;

(preposition) buiten

Voorbeeld:

The outside of the house needs painting.
De buitenkant van het huis moet geschilderd worden.

inside

/ˈɪn.saɪd/

(noun) binnenkant, interieur;

(adverb) binnen, binnenin;

(adjective) binnenste, intern;

(preposition) binnenin, in

Voorbeeld:

The inside of the box was empty.
De binnenkant van de doos was leeg.

far

/fɑːr/

(adverb) ver, veel, erg;

(adjective) ver

Voorbeeld:

How far is it to the nearest gas station?
Hoe ver is het naar het dichtstbijzijnde tankstation?

around

/əˈraʊnd/

(preposition) rond, om, in de buurt;

(adverb) rond, in de buurt, overal

Voorbeeld:

The fence goes around the garden.
Het hek gaat rond de tuin.

abroad

/əˈbrɑːd/

(adverb) in het buitenland, naar het buitenland, overal

Voorbeeld:

She decided to study abroad for a year.
Ze besloot een jaar in het buitenland te studeren.

southward

/ˈsaʊθ.wɚd/

(adverb) naar het zuiden, zuidwaarts;

(adjective) zuidwaarts, naar het zuiden gericht

Voorbeeld:

The birds began their migration southward as winter approached.
De vogels begonnen hun trek naar het zuiden toen de winter naderde.

westward

/ˈwest.wɚd/

(adverb) westwaarts, naar het westen;

(adjective) westwaarts, naar het westen gericht

Voorbeeld:

The pioneers traveled westward across the plains.
De pioniers reisden westwaarts over de vlaktes.

northward

/ˈnɔːrθ.wɚd/

(adverb) noordwaarts, naar het noorden;

(adjective) noordwaarts, naar het noorden gericht

Voorbeeld:

The birds flew northward for the winter.
De vogels vlogen noordwaarts voor de winter.

eastward

/ˈiːst.wɚd/

(adverb) oostwaarts, naar het oosten;

(adjective) oostwaarts, naar het oosten gericht

Voorbeeld:

The birds flew eastward for the winter.
De vogels vlogen oostwaarts voor de winter.

across

/əˈkrɑːs/

(preposition) over, dwars door, aan de overkant van;

(adverb) over, dwars, duidelijk

Voorbeeld:

She walked across the street.
Ze liep over de straat.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland