Avatar of Vocabulary Set Eenheid 10: Onze Huizen In De Toekomst

Vocabulaireverzameling Eenheid 10: Onze Huizen In De Toekomst in Groep 6: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Eenheid 10: Onze Huizen In De Toekomst' in 'Groep 6' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

television

/ˈtel.ə.vɪʒ.ən/

(noun) televisie, tv, televisietoestel

Voorbeeld:

We watched the news on television.
We keken naar het nieuws op televisie.

refrigerator

/rɪˈfrɪdʒ.ə.reɪ.t̬ɚ/

(noun) koelkast, ijskast

Voorbeeld:

Please put the milk back in the refrigerator.
Zet de melk alstublieft terug in de koelkast.

washing machine

/ˈwɑː.ʃɪŋ məˌʃiːn/

(noun) wasmachine

Voorbeeld:

I need to buy a new washing machine.
Ik moet een nieuwe wasmachine kopen.

microwave

/ˈmaɪ.kroʊ.weɪv/

(noun) magnetron, microgolfoven, microgolf;

(verb) opwarmen in de magnetron, bereiden in de magnetron

Voorbeeld:

I heated my lunch in the microwave.
Ik heb mijn lunch opgewarmd in de magnetron.

oven

/ˈʌv.ən/

(noun) oven

Voorbeeld:

Preheat the oven to 200 degrees Celsius.
Verwarm de oven voor op 200 graden Celsius.

vacuum cleaner

/ˈvæk.juːm ˌkliː.nər/

(noun) stofzuiger

Voorbeeld:

I need to buy a new vacuum cleaner for the house.
Ik moet een nieuwe stofzuiger kopen voor het huis.

dishwasher

/ˈdɪʃˌwɑː.ʃɚ/

(noun) vaatwasser, afwasmachine, afwasser

Voorbeeld:

Load the dirty plates into the dishwasher.
Laad de vuile borden in de vaatwasser.

blender

/ˈblen.dɚ/

(noun) blender, mixer

Voorbeeld:

She made a smoothie in the blender.
Ze maakte een smoothie in de blender.

toaster

/ˈtoʊ.stɚ/

(noun) broodrooster

Voorbeeld:

I put two slices of bread in the toaster.
Ik deed twee sneetjes brood in de broodrooster.

fan

/fæn/

(noun) ventilator, waaier, fan;

(verb) waaieren, aanwakkeren, verspreiden

Voorbeeld:

Turn on the fan, it's getting hot in here.
Zet de ventilator aan, het wordt hier warm.

air conditioner

/ˈer kənˌdɪʃ.ən.ər/

(noun) airconditioner, airco

Voorbeeld:

It's so hot, let's turn on the air conditioner.
Het is zo heet, laten we de airconditioner aanzetten.

computer

/kəmˈpjuː.t̬ɚ/

(noun) computer

Voorbeeld:

I need to buy a new computer for work.
Ik moet een nieuwe computer kopen voor mijn werk.

lamp

/læmp/

(noun) lamp;

(verb) slaan, rammen

Voorbeeld:

She turned on the lamp to read her book.
Ze deed de lamp aan om haar boek te lezen.

clock

/klɑːk/

(noun) klok, uurwerk;

(verb) klokken, meten

Voorbeeld:

The clock on the wall struck noon.
De klok aan de muur sloeg twaalf uur.

telephone

/ˈtel.ə.foʊn/

(noun) telefoon;

(verb) bellen, telefoneren

Voorbeeld:

She answered the telephone on the first ring.
Ze nam de telefoon op bij de eerste bel.

hair dryer

/ˈher draɪ.ər/

(noun) föhn, haardroger

Voorbeeld:

She used a hair dryer to quickly dry her wet hair.
Ze gebruikte een föhn om haar natte haar snel te drogen.

iron

/aɪrn/

(noun) ijzer, strijkijzer;

(verb) strijken;

(adjective) ijzeren

Voorbeeld:

The bridge was built with steel and iron.
De brug werd gebouwd met staal en ijzer.

heater

/ˈhiː.t̬ɚ/

(noun) verwarming, kachel, verwarmer

Voorbeeld:

Turn on the heater; it's cold in here.
Zet de verwarming aan; het is koud hier.

radio

/ˈreɪ.di.oʊ/

(noun) radio, uitzending, ontvanger;

(verb) radioën, uitzenden via radio

Voorbeeld:

I listen to the radio every morning.
Ik luister elke ochtend naar de radio.

camera

/ˈkæm.rə/

(noun) camera, fototoestel

Voorbeeld:

She bought a new digital camera for her trip.
Ze kocht een nieuwe digitale camera voor haar reis.

location

/loʊˈkeɪ.ʃən/

(noun) locatie, plek, locatiebepaling

Voorbeeld:

The restaurant has a great location overlooking the sea.
Het restaurant heeft een geweldige locatie met uitzicht op zee.

space

/speɪs/

(noun) ruimte, plek, heelal;

(verb) verspreiden, uit elkaar plaatsen

Voorbeeld:

There's not enough space for all these books.
Er is niet genoeg ruimte voor al deze boeken.

ocean

/ˈoʊ.ʃən/

(noun) oceaan, enorme hoeveelheid

Voorbeeld:

The ship sailed across the vast ocean.
Het schip zeilde over de uitgestrekte oceaan.

outside

/ˌaʊtˈsaɪd/

(noun) buitenkant, buiten;

(adjective) buiten-, extern;

(adverb) buiten;

(preposition) buiten

Voorbeeld:

The outside of the house needs painting.
De buitenkant van het huis moet geschilderd worden.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland