Vocabulaireverzameling Eenheid 16: Op de kampeerplaatsen in Groep 2: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Eenheid 16: Op de kampeerplaatsen' in 'Groep 2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren /tent/
(noun) tent;
(verb) kamperen, een tent opzetten
Voorbeeld:
We set up our tent near the river.
We zetten onze tent op bij de rivier.
/ˈblæŋ.kɪt/
(noun) deken, sprei, laag;
(adjective) algemeen, uitgebreid;
(verb) bedekken, omhullen
Voorbeeld:
She pulled the blanket up to her chin.
Ze trok de deken tot aan haar kin.
/fens/
(noun) hek, omheining, heler;
(verb) omheinen, afzetten, schermen
Voorbeeld:
The farmer built a new fence around his pasture.
De boer bouwde een nieuw hek rond zijn weide.
/ˈtiː.pɑːt/
(noun) theepot
Voorbeeld:
She poured hot water into the teapot to make tea.
Ze goot heet water in de theepot om thee te zetten.
/faɪr/
(noun) vuur, brand, schieten;
(verb) vuren, afschieten, ontslaan
Voorbeeld:
The house caught fire and burned down.
Het huis vatte vuur en brandde af.
/ˈfʌn.i/
(adjective) grappig, humoristisch, vreemd
Voorbeeld:
He told a really funny joke.
Hij vertelde een echt grappige grap.
/dɑːrk/
(adjective) donker, sinister;
(noun) donker, duisternis
Voorbeeld:
It's getting dark outside.
Het wordt donker buiten.
/ˈkæmp.saɪt/
(noun) camping, kampeerplaats
Voorbeeld:
We set up our tent at the campsite near the lake.
We zetten onze tent op de camping bij het meer.