Vocabulaireverzameling Unit 14: Thuis in Groep 2: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Unit 14: Thuis' in 'Groep 2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren /hoʊm/
(noun) thuis, huis, thuisland;
(adverb) thuis, naar huis;
(adjective) thuis, huiselijk;
(verb) terugkeren, richten
Voorbeeld:
I'm going home for the holidays.
Ik ga naar huis voor de feestdagen.
/ˈbrʌð.ɚ/
(noun) broer, broeder, kameraad
Voorbeeld:
My older brother lives in New York.
Mijn oudere broer woont in New York.
/ˈsɪs.tɚ/
(noun) zus, zuster, collega
Voorbeeld:
My older sister lives in London.
Mijn oudere zus woont in Londen.
/ˈɡræn.mʌð.ɚ/
(noun) grootmoeder, oma
Voorbeeld:
My grandmother bakes the best cookies.
Mijn grootmoeder bakt de beste koekjes.
/eɪdʒ/
(noun) leeftijd, tijdperk, tijd;
(verb) verouderen, rijpen
Voorbeeld:
What is your age?
Wat is jouw leeftijd?
/ˈɡræn.fɑː.ðɚ/
(noun) grootvader, opa
Voorbeeld:
My grandfather always tells the best stories.
Mijn grootvader vertelt altijd de beste verhalen.
/ˈmʌð.ɚ/
(noun) moeder, oorsprong, bron;
(verb) bemoeien, verzorgen
Voorbeeld:
My mother always supported my dreams.
Mijn moeder steunde altijd mijn dromen.
/ˈfɑː.ðɚ/
(noun) vader, papa, pater;
(verb) verwekken, vader zijn van, oprichten
Voorbeeld:
My father taught me how to ride a bike.
Mijn vader leerde me fietsen.