Avatar of Vocabulary Set Eenheid 11: Op de Speeltuin

Vocabulaireverzameling Eenheid 11: Op de Speeltuin in Groep 2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Eenheid 11: Op de Speeltuin' in 'Groep 2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

play

/pleɪ/

(verb) spelen, uitvoeren, afspelen;

(noun) toneelstuk, spel, recreatie

Voorbeeld:

The children are playing in the park.
De kinderen zijn aan het spelen in het park.

slide

/slaɪd/

(noun) glijbaan, slip, glijbeweging;

(verb) glijden, schuiven, sluipen

Voorbeeld:

The children loved playing on the slide at the park.
De kinderen speelden graag op de glijbaan in het park.

riding a bike

/ˈraɪdɪŋ ə baɪk/

(phrase) fietsen, het fietsen

Voorbeeld:

She enjoys riding a bike on weekends.
Ze geniet van fietsen in het weekend.

driving a car

/ˈdraɪvɪŋ ə kɑːr/

(phrase) autorijden

Voorbeeld:

He enjoys driving a car on long road trips.
Hij geniet van het autorijden tijdens lange roadtrips.

bike

/baɪk/

(noun) fiets, motor, motorfiets;

(verb) fietsen, motorrijden

Voorbeeld:

I ride my bike to work every day.
Ik fiets elke dag met mijn fiets naar mijn werk.

playground

/ˈpleɪ.ɡraʊnd/

(noun) speeltuin, vrije ruimte

Voorbeeld:

The children ran excitedly to the playground.
De kinderen renden opgewonden naar de speeltuin.

swing

/swɪŋ/

(verb) zwaaien, schommelen, klimmen;

(noun) schommel, verschuiving, omslag

Voorbeeld:

The door swung open.
De deur zwaaide open.

football

/ˈfʊt.bɑːl/

(noun) voetbal, football, rugbybal

Voorbeeld:

He loves watching football on Sundays.
Hij kijkt graag naar voetbal op zondag.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland