Vocabulaireverzameling Eenheid 16: Thuis in Groep 1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Eenheid 16: Thuis' in 'Groep 1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren /wɑːʃ/
(verb) wassen, reinigen, wasbaar zijn;
(noun) wasbeurt, wassen, laag
Voorbeeld:
Please wash your hands before dinner.
Gelieve uw handen te wassen voor het avondeten.
/ˈwɑː.t̬ɚ/
(noun) water;
(verb) wateren, begieten
Voorbeeld:
Please give me a glass of water.
Geef me alsjeblieft een glas water.
/ˈwɪn.doʊ/
(noun) raam, venster, tijdvenster;
(verb) van ramen voorzien, ramen plaatsen
Voorbeeld:
She looked out the window at the rain.
Ze keek uit het raam naar de regen.
/ˈbed.ruːm/
(noun) slaapkamer
Voorbeeld:
My bedroom has a large window overlooking the garden.
Mijn slaapkamer heeft een groot raam met uitzicht op de tuin.
/bed/
(noun) bed, bedding, bodem;
(verb) naar bed brengen, te slapen leggen, planten
Voorbeeld:
I'm so tired, I just want to go to bed.
Ik ben zo moe, ik wil gewoon naar bed.
/ˈlɪv.ɪŋ ˌruːm/
(noun) woonkamer, zitkamer
Voorbeeld:
We spent the evening relaxing in the living room.
We brachten de avond ontspannend door in de woonkamer.
/ˈkɪtʃ.ən/
(noun) keuken
Voorbeeld:
She spent the morning cleaning the kitchen.
Ze bracht de ochtend door met het schoonmaken van de keuken.