Vocabulaireverzameling Eenheid 13: In de schoolkantine in Groep 1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Eenheid 13: In de schoolkantine' in 'Groep 1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren /bəˈnæn.ə/
(noun) banaan
Voorbeeld:
She peeled a banana and ate it.
Ze pelde een banaan en at hem op.
/ˈnuː.dəl/
(noun) noedel, mie, hoofd;
(verb) tokkelen, improviseren, handvissen
Voorbeeld:
She added some fresh noodles to the soup.
Ze voegde wat verse noedels toe aan de soep.
/kænˈtiːn/
(noun) kantine, eetzaal, veldfles
Voorbeeld:
We usually have lunch in the company canteen.
We lunchen meestal in de bedrijfskantine.
/təˈdeɪ/
(adverb) vandaag, vandaag de dag, tegenwoordig;
(noun) vandaag, vandaag de dag, het heden
Voorbeeld:
I have a lot of work to do today.
Ik heb veel werk te doen vandaag.
/fɪʃ/
(noun) vis;
(verb) vissen, vissen naar, uitvragen
Voorbeeld:
We caught a big fish in the lake.
We vingen een grote vis in het meer.
/dʒuːs/
(noun) sap, stroom, elektriciteit;
(verb) persen, sap maken
Voorbeeld:
She squeezed fresh orange juice for breakfast.
Ze perste verse sinaasappelsap voor het ontbijt.
/keɪk/
(noun) cake, taart, koekje;
(verb) aankoeken, samenkoeken
Voorbeeld:
She baked a delicious chocolate cake for the party.
Ze bakte een heerlijke chocolade cake voor het feest.
/ɡraʊnd/
(noun) grond, aarde, veld;
(verb) aan de grond houden, vliegverbod opleggen, binnen houden;
(adjective) nuchter, realistisch, geaard
Voorbeeld:
He fell to the ground.
Hij viel op de grond.