Avatar of Vocabulary Set Algemene Logistieke Engelse Terminologie

Vocabulaireverzameling Algemene Logistieke Engelse Terminologie in Logistiek en Supply Chain Management: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Algemene Logistieke Engelse Terminologie' in 'Logistiek en Supply Chain Management' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

supply chain

/səˈplaɪ tʃeɪn/

(noun) toeleveringsketen, supply chain

Voorbeeld:

Disruptions in the global supply chain can lead to product shortages.
Verstoringen in de wereldwijde toeleveringsketen kunnen leiden tot producttekorten.

logistics

/ləˈdʒɪs.tɪks/

(noun) logistiek

Voorbeeld:

The logistics of the event were handled by a professional team.
De logistiek van het evenement werd afgehandeld door een professioneel team.

warehouse

/ˈwer.haʊs/

(noun) magazijn, opslagplaats;

(verb) opslaan, magazineren

Voorbeeld:

The company stores its products in a large warehouse.
Het bedrijf slaat zijn producten op in een groot magazijn.

inventory

/ˈɪn.vən.tɔːr.i/

(noun) inventaris, voorraad, goederen;

(verb) inventariseren, opmaken

Voorbeeld:

The store conducted an annual inventory of all its products.
De winkel voerde een jaarlijkse inventarisatie uit van al zijn producten.

transportation

/ˌtræn.spɚˈteɪ.ʃən/

(noun) vervoer, transport

Voorbeeld:

Public transportation is essential for city residents.
Openbaar vervoer is essentieel voor stadsbewoners.

distribution

/ˌdɪs.trɪˈbjuː.ʃən/

(noun) distributie, verdeling, spreiding

Voorbeeld:

The distribution of food to the needy was organized by volunteers.
De distributie van voedsel aan de behoeftigen werd georganiseerd door vrijwilligers.

freight

/freɪt/

(noun) vracht, lading, vrachtvervoer;

(verb) vervoeren, transporteren

Voorbeeld:

The ship was loaded with heavy freight.
Het schip was geladen met zware vracht.

cargo

/ˈkɑːr.ɡoʊ/

(noun) lading, vracht, goederen

Voorbeeld:

The ship was loaded with valuable cargo.
Het schip was geladen met waardevolle lading.

shipment

/ˈʃɪp.mənt/

(noun) verzending, zending, levering

Voorbeeld:

The shipment of goods was delayed due to bad weather.
De verzending van goederen werd vertraagd door slecht weer.

order

/ˈɔːr.dɚ/

(noun) bevel, opdracht, volgorde;

(verb) bevelen, opdragen, bestellen

Voorbeeld:

The general gave the order to advance.
De generaal gaf het bevel om op te rukken.

customer

/ˈkʌs.tə.mɚ/

(noun) klant

Voorbeeld:

The store offers excellent service to its customers.
De winkel biedt uitstekende service aan zijn klanten.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland